DE RAAD VAN EUROPA EN DE VRIJHEID VAN HET INTERNET
Op
28 mei 2003, bijna een maand voordat Giscard een nieuwe Conventie
voor de Europese Gemeenschap
officieel aanbood, werd er een ‘declaration on freedom of
communication’ door het Comité van Ministers van de
Raad van Europa uitgevaardigd. Een Declaration heeft
nog minder status dan een Resolution.
Een Resolution bindt de leden van de Raad van Europa
wel, maar is in het nationale recht (anders dan het
Europese Verdrag van de Rechten van de mens, en
artikel 10 daarvan dat over vrijheid van meningsuiting
handelt) niet afdwingbaar, een verklaring heeft ook binnen
de Raad geen enkele bindende kracht.
Dit soort officiële
mededelingen speelt toch enige rol. Het Europese Hof van de Rechten van
de Mens die
bindende
uitspraken doet over de uitleg van het verdrag let er wel
op. Als er straks een internetzaak bij het Hof komt zal het
Hof er bij de uitleg van artikel 10 voor dit nieuwe medium
naar kijken.
Er zijn een aantal dingen die opvallen aan de Declaration.
Ten eerste dat zij zo laat komt. De Raad van Europa is
nog altijd gefocust op de oude media. Ten tweede zien we
dat de Raad een aantal beginselen uit de EG e-commerce
richtlijn met huid en haar overneemt. Dat blijkt uit principle
5 en 6.
Principle 5 verbiedt het aanbieden van diensten op het
Internet aan vergunningen te binden en Principle 6
vrijwaart de ISPer voor aansprakelijkheid bij mere conduit,
caching en hosting. Niets nieuws op dat vlak dus, terwijl er
juist allerlei vragen zijn:
Hoe verhoudt het verbod van een vergunningplicht zich tot
de acties die bijvoorbeeld de Nederlandse Lotto voert
tegen kansspelen die via het internet worden
aangeboden? De Lotto lijkt zich gesteund door de
Nederlandse rechter die in de zaak van Ladbrokes heeft
bevolen dat Ladbrokes inloggende Nederlanders op zijn
site er uit moet gooien. Als Nederlanders niet op internet
mogen gokken, omdat de buitenlandse aanbieders geen
vergunning in Nederland hebben (en daar kwam de
beslissing van de rechter op neer) dan is dat natuurlijk een
verkapte vergunningplicht.
En we weten met de actie
van de Bundesbahn tegen XS4All in de Radikalzaak waarin een hyperlink werd
verboden, dat de mere conduit/caching en hosting regel
het eigenlijke probleem van de ISP’s die voor inhoud
moeten opdraaien niet oplost. Er tekent zich een
bedenkelijke tendens in de rechtspraak af om via een
rechterlijk bevel de toegang tot sites buiten Nederland af
te sluiten.
Als ik op het vliegtuig stap om in de Bahamas te gaan
gokken heb ik daar geen vergunning voor nodig, maar als
ik dezelfde handeling op internet verricht wel. Als ik in een
tijdschrift ga opzoeken waar in een noot van een artikel
naar wordt verwezen mag dat. Verwijzingen naar andere
sites via een hyperlink worden juridisch onmogelijk
gemaakt.
Toch staan er wel een paar belangrijke dingen in de
Declaration, zij het dat die ook om het werkelijke probleem
heen draaien. Ik neem als voorbeeld Principle 3 dat luidt:
Public Authorities should not, through general blocking
or filtering measures, deny access by the public to
information and other communication on the Internet,
regardless frontiers. This does not prevent the installation
of filters for the protection of minors, in particular in places
acessible to them, such as schools or libraries.
Die eerste zin is mooi, maar wij weten dat alle zaken in de
VS van de afgelopen jaren gingen over die tweede zin,
namelijk dat de aangebrachte filters ter bescherming van
minderjarigen op scholen en in bibliotheken wegens de
groffe werking daarvan in strijd met het First Amendment
werden verklaard. De toelichting op dit principle zwijgt
over die jurisprudentie.
Al met al is het een tandeloze Verklaring waarvan je je
afvraagt waarom die ineens in mei 2003 moest worden
afgelegd. Als je zo laat bent moet je met wat beters
komen.