Vrijwel dezelfde vragen spelen bij het redactiestatuut, een stempel van onafhankelijkheid van commerciële invloeden, met name van de uitgever op de titel. Recent kwam het onderzoek 'Het redactiestatuut bij dagbladen' uit, gemaakt door het Instituut voor Informatierecht (IVIR) in opdracht van het Bedrijfsfonds voor de Pers.
Het onderzoek ging over dagbladen, maar kent als aanbeveling om dit door te trekken naar internet. Dat is hard nodig, zegt professor Egbert Dommering van het Ivir: "Op websites weet je zelden of het nieuws onafhankelijk wordt gebracht."
NVJ-secretaris Thomas Bruning zegt dat Ilse Media en de Wegener met haar websites redactiestatuten onnodig vinden. Bruning noemde Planet Internet als witte raaf. Die werkt met een redactiestatuut. Maar dat heeft de hoofdredactie nooit openbaar durven maken, want inhoudelijke onafhankelijkheid van eigenaar KPN is niet zo goed geregeld als bij dagbladen.
De vraag die speelt is niet zozeer van juridische aard, maar meer praktisch: hoe weten lezers en kijkers op internet wie de afzender is, met welke belangen?
Kun je dan met een redactiestatuut waarborgen dat een uitgever zich, meestal om adverteerders te gerieven, niet met de inhoud, selectie en onevenredig zwaar met de verdeling van middelen als ruimte op websites bemoeit?
De voorzitter van de Nederlandse Dagbladpers, Kees Spaan, voelt niet veel voor een verbreding van dergelijke statuten tot internet. "Te vaak worden die gebruikt door redacties om vernieuwing tegen te houden."
Marnix Kreyns, directeur van uitgever BDU (onder meer Barneveldse Krant) en lid van de Raad van de Journalistiek, is het daar niet mee eens: "In 2006 hebben we het redactiestatuut dat geldt voor onze uitgaven ook van toepassing verklaard op onze websites. Het kan ook een voordeel betekenen als je als uitgever de kwaliteit en het doel van de publicaties kunt helpen handhaven met een redactiestatuut."
Dus ook kwaliteitseisen vastleggen, zoals hoor en wederhoor. Volgens Nico van Eijk van Ivir, mede-auteur van het onderzoeksrapport, spelen kwaliteitsmaatstaven vaak een rol in dergelijke overeenkomsten in het buitenland, terwijl het in Nederland meer gaat om het vastleggen van de 'identiteit'.
In het rapport worden daarvan overigens fraaie voorbeelden verstrekt. Zo schrijft De Telegraaf "...uitsluitend in 's lands belang" en wil de Volkskrant volgens haar statuut "...vooruitstrevend zijn en vooral opkomen voor verdrukten en ontrechten".
In de war met weblogs
We horen zelden over die statuten. Maar het redactiestatuut van de Volkskrant werd er met van haren bijgesleept om op het weblogdomein een weblog van een pedofiel te bestrijden, overigens nadat hier een fraaie discussie bij de krant over gevoerd was.
Het webstatuut, dat al een stuk pragmatischer en bondiger is dan statuten voor andere media, wordt dus nauwelijks toegepast. De NVJ heeft in haar Plan van Aanpak voor 2007 een pragmatisch voorstel opgenomen: een logo laten maken, dat mediabedrijven op hun websites kunnen plaatsen. Het publiek krijgt dan een houvast.
"Evident is dat het toepassen van het logo volstrekt vrijwillig moet zijn...Het logo zou een stimulans kunnen geven aan de ontwikkeling van sites, die journalistieke beginselen op het web willen hanteren", aldus de bond.
Erik van Heeswijk van de NVJ: "De scheiding tussen commerciële en niet-commerciële informatie zal de komende jaren steeds belangrijker worden en het is belangrijk dat consumenten het verschil kunnen blijven zien. Daarin kan een redactiestatuut een belangrijke en meer uitwendige rol spelen."
Elbeth Polak van Stibbe: "Het redactiestatuut regelt de verhouding tussen uitgever en
hoofdredactie/journalist. Bij internet vallen die posities heel vaak samen. Dus zo'n soort statuut is dus niet nodig."
Een stichting zou de onafhankelijkheid moeten toetsen volgens de NVJ. Misschien kan de Raad voor de Journalistiek dat doen. En dan toch alleen klachten in behandeling nemen van media die het stempel (logo) hanteren? Wie niet meedoet is voor het publiek herkenbaar als 'niet-journalistiek' en wordt enkel door de rechter getoetst, of eventueel toch een Ombudsman voor de Media.
Verschoningsrecht
Behalve over plichten bestaat er ook over journalistieke rechten aanhoudend debat. En ook dat komt dankzij internet in een nieuw perspectief te staan. Dat bleek ook deze week uit een
artikel in Trouw over het verschoningsrecht van journalisten.
Bronnenbescherming moet in de wet worden vastgelegd, vindt de NVJ. Maar ook hier is de vraag: wie mag zich daar dan op beroepen?
Immers, een zwijgrecht is essentieel voor journalistiek onderzoek in een democratie. Maar ook voor een weblog die 'iets gehoord heeft' en een persoon de mantel uitveegt. Of voor anonieme reacties?
In België de wet moest worden aangepast, na een boeiende discussie over dit zogenaamde verschoningsrecht en een rechtszaak. Nu is iedereen die publiceert en anonieme bronnen gebruikt beschermd. In de Verenigde Staten is dat juist niet het geval.
Fred Teeven van de VVD, in Trouw, over de Belgische wet: "Straks krijgen we dat meneer Holleeder iets op internet zet en dat hij dan ook verschoningsrecht heeft."
De Raad voor de Journalistiek zegt te oordelen over degenen die "...hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van publiciteitsmedia, waaronder...internet, teletekst of viewdata, voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, reportages, beschouwing of rubrieken van informatieve aard."
Het is evident dat rechten en plichten van publicaties samenvallen. De reikwijdte van de Raad voor de Journalistiek, het redactiestatuut en onafhankelijkheidslogo, en het zwijgrecht en bronnenbescherming hangen met elkaar samen.
Misschien moet er eerst jurisprudentie komen teneinde scherper grenzen te kunnen bepalen voor rechten en plichten. Dan zal blijken of dit onderwerp wettelijk te regelen is. Wellicht blijft het schipperen en maakt internet vooral dat duidelijk.