Wie beschermt de virtuele kinderziel?
Alleen de ouders, of ook de school een beetje meer? En moeten websites verantwoordelijkheid dragen? Of de overheid krachtig reguleren en voorlichten? Dit hele kwartet moet zich bekommeren om de online zwervende kinderzielen. Allemaal een beetje, maar uiteindelijk vooral de kinderen onderling.
Volgens de media gaat het de laatste tijd weer verschrikkelijk mis met kinderen op internet. De dreiging van pedofielen was er altijd, maar in een reportage van Vara's Zembla kwamen de kinderpornoruilers zelf in verhoren aan het woord.
Een week later vonden vanwege dit delict in heel Europa invallen plaats waaronder op elf adressen in Nederland. En de grote landen bouwen een 'pedofielendatabase' als hun ei van Columbus.
Juist een dag eerder sloot het Jeugdjournaal zijn chats vanwege vervuiling met te veel seks. Tegelijkertijd lanceerden de kindersites CU2, Sugababes, TMF, Kaboem, Chatten.nl, Jetix en Kindertent.nl hun Chatinfo.nl, afspraken voor veiliger chatomgevingen. De exploitanten hadden door dat ze bij misbruik in hun eigen omgevingen niet slechts de bal naar de politie konden spelen.
Weer vijf dagen later was er onderzoek in opdracht van Wanadoo Nederland, uitgemeten in actualiteitenrubriek Netwerk met als belangrijkste resultaat dat ouders niet weten wat hun kroost online uitspookt. Dat was overigens niet geheel in lijn met onderzoek in opdracht van concurrent Planet Internet een jaar eerder: "Ouders [...] tonen zich zeer betrokken bij het begeleiden van hun kinderen op internet en nemen daarvoor de nodige veiligheidsmaatregelen (filters en virusscanners). De grootste zorg van ouders betreft de seksuele toenadering van kinderen via internet. Hoe kinderen daartegen beschermd kunnen worden, is onvoldoende bekend. Bijna de helft van de ouders heeft daarom behoefte aan meer informatie om hun kinderen goed te kunnen begeleiden op internet."
Gewilde kindermarkt
 |
|
|
Justine Pardoen en Remco Pijpers (Mijn Kind Online)
| |
Planet had op dat moment al via zijn samenwerking met Ouders Online de site Mijn Kind Online gelanceerd. Planet-moeder KPN vulde dat aan met een site voor onderwijzend personeel, Mijn Leerling Online. Niet zo vreemd, daar KPN sinds vorig jaar scholen sponsort met internetaansluitingen en ook wat vaker in beeld wil komen.
Het onderwerp van de kinderen c.q. gezinnen online is al vijf jaar geleden geclaimd door CompuServe Nederland (America Online). Die werd recent hoofdsponsor van De Surfsleutel van Stichting De Kinderconsument. Deze verschaft eigenhandig het OK!-Keurmerk aan sites die lief zijn voor kinderen. Maar afgelopen week berichtte Mijn Kind Online weblog dat Surfsleutel en Kinderconsument met commercie hun imago van onafhankelijkheid op het spel zetten. Sponsors zijn er prominent aanwezig en partijen kunnen de keurmerkverschaffer ook websites voor kinderen laten bouwen wil het niet zo goed lukken met de goedkeuring.
Het gaat om initiatieven van Bamber Delver die via diverse overheden in het onderwijs en gremia de nodigde invloed uitoefent en ondertussen boeken en cursussen verhandelt. Delver figureerde eerder in een artikel in Netkwesties uit 2003, waarin hij over filters zei: "Zo'n programma kunnen ouders als excuus gebruiken om kinderen niet meer op te voeden. Het is een zwaktebod, echt waar." Dat was consequent met zijn uitspraken in Netkwesties in 2001: "Kinderen moeten zo veel mogelijk zelf hun internetkwesties oplossen. Dat is de filosofie van Bamber Delver, directeur van De Kinderconsument."
Dat was voor hij de Surfsleutel introduceerde. Delvers insteek kwam ook goed tot uiting tijdens een congres over kinderen online met enig cliëntelisme waarover Netkwesties berichtte. En inmiddels is er een andere loot aan de stam van dit particuliere kinderbeschermingsimperium, de Stichting Reklame Rakkers die kinderen wil leren - onder meer via ouders en docenten - helpen om bewuster met reclame om te gaan. Behalve de overheid financieren reclamemakers en -bureaus deze stichting. Geen wonder dat vehikel juist pleitte voor behoud van reclame op kinder-tv.
Volgens Liesbeth Hop van Reklame Rakkers opereert de stichting (dus) niet met een winstoogmerk. Ze zei dit op kritiek van Lennart Booij, die gistermiddag in De Balie een brede discussie leidde over kinderen en internet, bij gelegenheid van de introductie van het Mijn Kind Online boek van de makers van de gelijknamige site, Justine Pardoen en Remco Pijpers.
Buitengewoon creatief
Het boek beoogt ouders te onderrichten over de mogelijkheden en gevaren van het internetten door hun kinderen. Daarvan hebben ze vaak niet het flauwste benul, niet alleen in negatieve zin. "Ouders weten er vaak niets van. Pas sprak ik met een moeder van een 15-jarige die volstrekt verrast was door de creatieve dingen van haar zoon die webradio maakte, videootjes produceerde en zelfs toneelstukjes deed", aldus Nathalie Korsman van TTG Sulake BV, de exploitant van het buitengewoon succesvolle Habbo Hotel (introductie-animatie) van De Telegraaf met naar eigen zeggen zo'n 400.000 gebruikers.
Habbo Hotel hanteert heldere regels voor kinderen en waarschuwde afgelopen woensdag nog tegen fraude. "We modereren scherp, zowel zichtbaar als met een onzichtbare moderator, en zijn altijd aanwezig van 9.00 uur tot 24.00 uur. Maar je kunt niet alles voorkomen. Soms stappen kinderen er blind in en leren ze in de praktijk hoe hard dat aankomt", aldus Korsman na afloop van de discussie tegen Netkwesties.
De moderators proberen ook kinderen te betrappen die testen of ze het lelijke woordenfilter van Habbo kunnen ontwijken. Ook portaal Lycos hanteert zo'n filter met naar eigen zeggen tussen de 20.000 en 30.000 verboden woorden.
Dat heeft geen zin, denken de exploitanten van Sugababes voor meisjes en Superdudes voor jongens. "Die filters omzeilen ze. Je kunt ze veel beter actief begeleiden in de conversatie. En dan zie je dat ze vooral elkaar corrigeren. Zonder die sociale controle zouden wij veel meer moderatoren moeten inzetten." Maar, vroeg Booij, zou je als exploitant van kindersites niet actiever moeten opvoeden? Er kwam een aarzelend antwoord.
Wel of niet harder?
 |
|
|
Jeroen Jansz (Universiteit van Amsterdam) en Michel Hendriks (Sugababes)
| |
Hendriks maakte resultaten bekend van onderzoek dat de sites en de auteurs van het boek Mijn Kind Online hielden onder kinderen: 8.000 kinderen beantwoordden in twee dagen tijd de vragen. Belangrijkste tendens: voor kinderen maken online en echt contact niet zo bar veel uit. Er is niet sprake van een scheiding in 'echt' en 'virtueel'.
Of een vader met petje (van Ouders Online) in de discussie: "Onze generatie denkt nog in scheidingen als echt en virtueel, voor kinderen van nu gaan die werelden vloeiend in elkaar over." Anderen riposteerden dat het effect van online pesten juist veel sterker is dan van offline treiteren. Daar getuigt ook een recent NRC-artikel nog van.
En dat laatste vindt ook Patti Valkenburg, onderzoeker naar media en kinderen, die gisteren haar recent geopenbaarde resultaten van onderzoek naar profielen en zelfvertrouwen nader kwam toelichten: "Internetverkeer bevordert de ongeremdheid, zowel in positieve als negatieve zin. Het komt harder aan."
De kern van haar bevindingen: niet het aantal vriendschappen, maar de toon en inhoud van reacties op de profielen veroorzaken geluk (bij 78 procent) of ongeluk (bij 7 procent). Meer dan op papier noemde ze de zaken bij de naam gisteren: "Het gaat erom of je in de ogen van anderen mooi bent of sexy of weet ik veel. Dat heeft grote invloed."
Maar, zei ze na afloop tegen Netkwesties, dat is eigenlijk ook nooit anders geweest. En de grof- en directheid met seks? Valkenburg: "Was dat vroeger zo veel minder? Neem de literatuur van 30 jaar geleden, die was zeker zo grof."
En discussieleider Booij eerder: "Was dit vroeger ook al niet zo? Dat ene kind dat een beetje stonk, werd flink gepest." Een pedagoge vond van niet: "Pesten richt online enorme ravages aan. Voor je het weet sta je bij duizenden te kijk en durven kinderen zich nergens meer te vertonen." Een ouder: "Maar de gevolgen van pesten waren vroeger ook vreselijk. Nu wordt gedaan alsof het erger is op internet, omdat ouders er te weinig van weten."
Van alles wat
Dus is de vraag of voor internet wel zoveel specifieke voorlichting nodig is? Het antwoord daarop is volmondig 'ja', zo vonden alle deskundigen in De Balie. Vooral met het blootgeven en converseren in een negatieve moeten (vooral jonge) kinderen op tijd wegwijs worden gemaakt. Remco Pijpers: "Het is cruciaal dat ouders en docenten met kinderen veelvuldig in dialoog gaan over hun online gedrag. Ze moeten daarin steun vinden bij deskundigen en de overheid."
En, vindt Valkenburg, alle partijen zijn verantwoordelijk: "In onze cultuur zijn op de eerste plaats de ouders verantwoordelijk. Maar vaak ontberen ze de kennis. Vandaar dat het zo goed is dat dit boek er is. De school kan ook bijdragen mar dat gebeurt lang niet altijd consistent. Maar ook de website zelf kan zich niet aan de verantwoordelijkheid ontrekken. Zo moet een speeltuin ook zorgen voor EHBO en een pretpark grijpt ook in bij wangedrag van bezoekers. De overheid heeft geen helder beleid, het zijn te veel ad hoc-initiatieven en verdeeld over vier ministeries."
Dat laatste bevestigde de overheid in die discussie. Daar zat niet het ministerie van Onderwijs of dat van Welzijn, maar van EZ. Die werkt overigens aan een lesprogramma voor scholen vanuit Surf op Safe van EZ, met een les over pesten.
Dit zal niet volstaan, vrezen de deskundigen van internettend kinderland. Lesprogramma of niet, scholen blijven in de online kinderbescherming de achilleshiel vormen, geholpen door de overheid. Er is te veel half werk, en dat is geen werk. Jeroen Jansz, communicatiewetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam, zei het het kortst en krachtigst: "Het is bizar dat het onderwijs zo weinig mediaonderricht biedt."
Mediaonderricht broodnodig
Jansz zelf deed, onder meer met Peter Nikken van het Expertisecentrum Jeugd en Media, de laatste jaren veel onderzoek naar jeugd en computerspellen. Jansz en Nikken menen dat de overheid veel actiever jeugd moet onderwijzen in mediagebruik, gezien de vele tijd en de grote intensiteit van het gebruik van verschillende media.
Ze zijn roependen in de woestijn. "De overheid ontbeert visie", aldus Pardoen. Dat is iets anders dan slechte wil, zo bleek gisteren uit de inbreng van ambtenaren in de discussie. Ze zwemmen met hun goede voornemens en weten met de maatschappelijke organisaties niet goed om te gaan.
De sites zelf houden wel toezicht. Hendriks van Sugababes over de praktijk: "Regelmatig hebben we discussie achter de schermen of we moeten ingrijpen om een kind tegen zichzelf te beschermen. Bloot is verboden, maar soms is het kleden of de pose te uitdagend. Maar vaak is het al te laat, want dan staan de reacties al vol met 'hoer' en 'slet'." Een ouder: "En voor je het weet is een kind belachelijk gemaakt op een grote weblog en gaat de foto het hele land door."
De virtuele straat is juist een goede leerschool, vindt de een; dat moet je voorkomen, vindt de ander. Zowel de regels van Sugababes als die van CU2 zijn helder. Volgens Hendriks is de crux de conversatie aan te wakkeren. Hoe meer kinderen onderling uitwisselen, des te beter blijft het evenwicht in stand.
Hoe die 7 procent ongelukkigen geholpen kan worden, weet Sugababes ook niet. Chris de Waard van CU2 zei in een reactie op het onderzoek dat Valkenburg op zijn site deed - bij 800 personen - dat hij daar wel actief aan wil werken. Een vertegenwoordiger van Kids Today, dat onder meer virtuele schoolkranten helpt maken, heeft weinig vertrouwen in de zelfregulering: "Sugababes en CU2 zijn vooral commercieel bezig. Hun vorm werkt pesten in de hand."
Zo erg blijkt het in de praktijk niet, al kan dat komen. Mijn Kind Online waarschuwt heel uitgebreid tegen het afstaan van data, maar de vraag is of het helpt. Persoonsdata zijn een betaalmiddel geworden en de exploitanten weten dat als geen ander. Pardoen, die met de uitreiking van het boek trouwe medewerkers in het zonnetje zette die tien jaar lang de beste informatieve site van Nederland hielpen opbouwen:
"Het is vaak worstelen. M'n kinderen leer ik dat altijd netjes moeten antwoorden en zich met hun naam moeten voorstellen en tegelijkertijd zeg ik dat ze online beter niet hun eigen naam kunnen gebruiken en invullen..."
Concluderend is het helder dat het beschermen van kinderen online op typisch Nederlandse wijze plaatsvindt: een beetje zus, en een beetje zo. Meest opvallende was gistermiddag dat de aanwezige kinderen zich onttrokken aan de kwestie die in het midden bleef liggen. Ze vonden het allemaal niet zo hard nodig. Ze corrigeren elkaar wel - en ja, er gaat wel eens iets fout. Opvoeders zijn maar lastpakken die je beter niet alles kunt vertellen.
Ook in die zin is, of beter lijkt, er niets veranderd...
[Peter Olsthoorn, 1 juli 2005]
|