NETKWESTIES magazine over maatschappij en internet kleine letters normale letters grote letters
03-06-2005 bepaal de lettergrootte
ACTUEEL COLUMNS COLOFON ABONNEER

Dispuut met de lezers: voor wie een nuance blijft zoeken

Henriëtte Boas werd de icoon van de ingezonden brieven aan kranten en opiniebladen in de 20e-eeuwse Nederlandse pers. Eén vrouw in het achterhoofd hield journalisten soms scherp. Maar wat moet je met die duizenden terugpraters, niet zelden leeghoofden? "De lezers samen weten veel meer dan ik."

Dit artikel maakt deel uit van een onderzoek naar online uitgeven en journalistiek dat steun krijgt van het Bedrijfsfonds voor de Pers.

Het is verleidelijk om voor dit artikel uitgebreid leentjebuur te spelen bij Dan Gillmor, die in 2004 het standaardwerk We the media: grassroots journalism by the people for the people schreef. Het werk kunt u vrij lezen en herpubliceren onder het Creative Commons-auteursrecht. Hij zegde zijn baan op als technologiecolumnist van de San Jose Mercury News om een nieuwe organisatie te beginnen voor participatory journalism.

Hij geeft er de nodige lezingen over - eind deze maand nog in Korea - en publiceert daarover ook op zijn weblog. Dit standaardwerk over de verandering van journalistiek als gevolg van netwerken heeft in Nederland weinig aandacht gekregen. Vakblad De Journalist heeft er geen aandacht aan besteed, ondanks een uitgebreide serie over de toekomst van de krant. Ook die omissie is veelzeggend. Gillmor verdient op zijn minst discussie, die hij zelf ook wenst: "Ik leer meer van degenen die me ongelijk geven, dan van de jaknikkers."

De netwerktechnologie maakt de nieuwe werkwijze mogelijk - ja, dringt die op, volgens Gillmor. Weblogs zijn momenteel de voorhoedetechnologie, maar straks kunnen dat netwerken zijn voor onderlinge uitwisseling van video. Niet langer kunnen journalisten, ondersteund door uitgevers, uitgaan van eenrichtingsverkeer waarmee ze de wereld verslaan en becommentariëren.

Dat wil niet zeggen dat Gillmor deskundigheid als basis voor verspreiding van feiten en meningen afwijst. Integendeel, hij voorziet juist dat het niveau van veel publicaties toeneemt door inbreng van buiten: "Mijn lezers en bezoekers weten samen meer dan ik weet."

Journalisten, vindt Gillmor, kunnen er niet omheen te accepteren dat het publiek onderdeel wordt van het journalistiek proces. Voor de journalisten die - gewend als ze dat zijn bij veranderingen - de hakken in het zand zetten, heeft Gillmor een boodschap: "Dit is niet bedreigend, maar juist bevrijdend. Onze kern, betrouwbaarheid en accuratesse, gaan niet teloor. We blijven zelfs in een aantal opzichten de poortwachters, maar het vermogen om conversaties op te bouwen en context te bieden wordt minstens zo belangrijk als het vergaren en rapporteren van feiten."

De pr-industrie, vaak nieuwsmakers ten koste van objectieve selectie door journalisten, hebben meer last van deze ontwikkeling. Ze worden kwetsbaarder als meer mensen mogelijkheden krijgen om hun zwakheden te onderkennen en zich erover te uiten. Merken, politici, ja allen die een opgepoetst imago te verliezen hebben, kunnen meer te vrezen hebben van een netwerk van deskundigen dan van de enkele journalisten die hen nauwgezet kunnen volgen. Deskundigheid op details neemt toe.

Uiteindelijk, zegt Gillmor, krijgt het publiek een beter product, dat wil zeggen betrouwbaarder, minder door enkelen gemanipuleerd (pr) en selectief gebrachte (journalistiek) informatie, maar een grotere variatie en meer diepgang.

Gillmor is bepaald optimistisch over de remedies die dit brengt voor een mediasector in verval: "De traditionele journalistiek zaait destructieve zaden. Ten eerste de schadelijke consolidatie van massamedia in een paar buitengewoon krachtige conglomeraten met de voorkeur om infotainment te verkopen in plaats van nuttige informatie. Ten tweede de erosie van het bedrijfsmodel van dagbladen dat leidt tot bezuinigingen in plaats van in investeringen in de toekomst. De geïnformeerde burger is het slachtoffer van de beide tendensen."

In Nederland ontpopt Henk Blanken, adjunct-hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden, zich al de belangrijkste epigoon van Gillmor. Op zijn weblog getuigt hij daar in klare bewoordingen over. Zoals over het dedain van een presentator van radioprogramma Tros Online voor 'de lezer'. "Opvallend vond ik het onverhulde dedain waarmee Francisco van Joles co-presentator Peter de Bie over "de gewone lezer" sprak. Niet dat de meeste weblogs waardevolle informatie of hoogstaande journalistiek bevatten, integendeel, maar het minste wat je als 'klassieke' journalist kunt doen, is beginnen te luisteren naar wat ze te zeggen hebben."

De noodzaak te luisteren naar de lezer is voor mij geen principiële, maar een bedrijfseconomische. Als de klassieke media niet leren luisteren, sterven ze langzaam uit. Daarmee verkwansel ik geen journalistieke beginselen, maar bepleit ik domweg betere journalistiek."

Voor Blanken is dat een radicale keuze voor het inspelen op behoeften van lezers: "We hebben geen andere keuze dan onszelf opnieuw uit te vinden. We moeten nieuwe verhalen gaan vertellen."

Nu is 'verhalen vertellen' een modieuze term die het in steeds meer geledingen goed doet - behalve in de zachte sector ook in de wetenschap en vooral bij de trendwatchers. Het bekt lekker. Blanken probeert wel de benen op de grond te houden: "Ik beweer niet dat weblogs tot betere journalistiek leiden, maar dat de journalistiek zichzelf moet verbeteren nu er weblogs zijn."

Blanken maakt zich vooral zorgen over de gebrekkige aansluiting tussen makers van traditionele media bij de omgang met media door jongeren. En hij legt de grens daarbij 'ergens tussen de 35 en 40 jaar'. Ze grijpen links en rechts van alles wat ze tegenkomen en babbelen er dan over.

Het is het model van nuttigen alsof ze door een winkelstrat etalages bekijken: overal wat bekijken en er vooral onderling over praten. Journalisten hebben vrees voor het verlies van geconcentreerde aandacht voor hun werk. En veel uitgevers weten nog geen raad met deze versnipperende behoeften.

Hoe lezers te betrekken bij de traditionele uitgave of programma? Dat vereist wat fantasie. Die is in Nederland het eerst ontwikkeld bij de radio. De manier waarop Radio538 en BNN (nationale IQ-test) en vooral het vele prijzen winnende Stand.nl internet gebruiken om luisteraars en kijkers bij programma's te betrekken, is voorbeeldig.

Blankens krant verzon een antwoord: het Dagblad van het Noorden ontwikkelde een Lezersjury waarbij uit een geselecteerde groep van ruim 200 lezers er steeds enkelen met verslaggevers meegaan naar rechtszaken om hun mening te vormen. En recent opende het Dagblad van het Noorden Nieuwslokaal.net geopend, waar Noorderlingen van Bellingwedde tot Stadskanaal hun nieuws kwijt kunnen: "Steeds vaker zijn mensen onbedoeld zelf verslaggever. Ooggetuigen die het nieuws uit de eerste hand kunnen vertellen. Dat kan in Oost-Groningen vanaf nu heel actueel op de experimentele website die gekoppeld is aan de gelijknamige rubriek die sinds kort twee keer per week in de editie Oost-Groningen van het Dagblad van het Noorden staat."

Buurtkrant online

De stadsvariant van deze regiosite van en voor het lezerspubliek draait met steun van het Bedrijfsfonds voor de Pers bij het Haarlems Dagblad - met bijna 350 jaar de oudste nog uitgegeven krant in de wereld - op proef de site Amsterdamse Buurten, een digitale wijkkrant. Twee jonge journalisten zijn gevestigd in de wijk en volgen daar de gebeurtenissen voor publicatie op de site en in de krant. Tweewekelijks verspreidt het Haarlems Dagblad huis-aan-huis een gratis printversie.

Met 200 bezoekers per dag op de site, op 4.000 woningen in de wijk, is het experiment geslaagd, zegt adjunct-directeur Leon Klein Schiphorst: "Het is ook een nieuwe vorm, dienstverlenende journalistiek. Journalisten komen meer in de haarvaten van samenleving waardoor de vaak genoemde kloof tussen journalistiek en samenleving kleiner wordt. Dit straalt af op de krant."

Volgens de HD-chef vullen het oude en het nieuwe medium elkaar aan, terwijl er een verschuiving plaatsvindt van papier naar digitaal. Het worden communicerende vaten. Via een nieuwsvenster op de wijksite met koppen uit de krant komen degenen die klikken op de site van de krant. Heel voorzichtig stelt de het HD na acht maanden experimenten vast dat de afkalving van abonnees in de wijk is verminderd. De Radbout Universiteit Nijmegen komt nog met een evaluatie.

Commercieel betekent dit vele eindjes aan elkaar knopen. Ilse Media en de Rabobank zijn sponsors, de gemeente Haarlem en een aanvankelijk sceptische maar nu enthousiaste wijkraad zien hun belang bij directe informatievoorziening en wijkwinkeliers adverteren. "Die krijgen een eigen medium terug, want het dag- en zelfs het wijkblad is te duur geworden om te adverteren. De winkelier vult de eigen pagina."

De lezersinbreng op de site is overigens niet overweldigend, zo blijkt uit de bijdragen op de site. Er zijn nu wel vijf vaste amateurmedewerkers. Journalistiek is niet ineens overbodig, maar communiceert meer. Het Haarlems Dagblad verwacht met de bijkomende vijf gewenste wijksites nog zo'n zeven tot acht betaalde plekken voor journalisten te kunnen creëren. Dat kost zo'n "vijf, zes ton", aldus Klein Schiphorst.

Lezers corrigeren

Dankzij communicatie met lezers/kijkers hopen journalisten hun werk dus beter af te stemmen op wat er leeft onder de bevolking. Ze worden meer primus inter pares. De mentaliteit verandert, van niet zelden wat arrogante kwasten die autonomie eisen op hun vierkante centimeters tape en papier tot schrijvers die zich laten voeden en corrigeren door hun kijkers en lezers. Wat dit oplevert moet nog blijken, zeker in geld gemeten.

Debat met media krijgt een vaste plaats. Op 18 mei heeft journalistenvereniging NVJ op de Mediadag Discussie.nl (een site van onder meer Stand.nl, Rondom Tien, Netwerk, Twee Vandaag, Nova, Premtime, B&W en Zembla). De site is een initiatief van de NCRV om online debat te voeren tussen media en hun publiek. De eerste vragen: "Doet de journalistiek het nu beter dan ten tijde van Fortuyn? Luisteren journalisten nu wel naar de stem van de straat?"

Er is een verschuiving in journalistieke principes die, zo meent het gros van de journalisten niet ten koste mag gaan van waarheidsvinding. Zo geldt nu als mores in Nederland de Gedragscode van het Genootschap van Hoofdredacteuren. Deze principes - die veel journalisten niet eens kennen - gelden nog onverkort, maar zijn erg intern gericht. Een meer open verplichting jegens de samenleving vormt het Statement of Shared Purpose waarbij journalistieke verantwoordelijkheid meer is verankerd in verantwoordelijkheid voor en communicatie met de samenleving en haar burgers.

Afbreuk doen

De inbreng van bezoekers is niet per definitie zaligmakend, vindt Pieter van Twisk, hoofdredacteur Planet Internet, de grootste Nederlandse pure nieuwssite op internet, en van Het Net: "Dat iedereen overal op moet kunnen reageren, vind ik een twijfelachtig argument. Het gaat ervan uit dat wat mogelijk is ook wenselijk is. Onderzoeken die stellen dat internetters altijd overal op willen kunnen reageren vind ik bovendien niet overtuigend."

Maar enig geloof wil Van Twisk wel hechten aan de in die onderzoeken geuite wens tot communicatie van "... de postmoderne mediaconsument. Maar dat wil niet zeggen dat iedere site dit ook moet gaan bieden, of dat consumenten dat van iedere site verwachten. Dat ligt geheel en al aan je formule en dus aan je doelgroep."

Planet.nl bereikt, zegt Van Twisk, een doelgroep die wordt gekenmerkt door een hoog opleidingsniveau (HBO+) en een hogere welstand. Dat werd bepaald niet altijd weerspiegeld in de reacties onder artikelen, toen Planet de mogelijkheid daartoe standaard bood: "Je zag een grote mate van vervuiling. Om het netjes te zeggen: het lijkt er al snel op de mensen met de minst interessante mening het grootste woord hebben."

En dat betreft dan nog het gematigd negatieve deel. Van Twisk valt echt over het lagere allooi: "De scheldpartijen, platitudes en de discriminerende reacties zijn vaak niet van de lucht. Mensen die wel in staat zijn een waardevolle mening te formuleren wensen deze niet in een dergelijke omgeving te plaatsen en er wordt dan weinig inhoudelijk tegenwicht geboden."

Dus, concludeert van Twisk, levert de reactiemogelijkheid in veel gevallen eerder een afbreuk op van de titel en het daartoe professioneel verrichte werk dan een bijdrage. "En dat geldt niet alleen voor Planet, dat geldt ook voor een nieuwssite als Nu.nl of NOS Online en voor de krantensites als die van De Volkskrant, De Telegraaf en het NRC."

Dus ging Planet over tot het selectief aanzetten van de reactiemogelijkheid. Zo staat die standaard uit bij beladen thema's als immigranten of de islam die discriminatie aantrekken. Daarentegen werkt het wel bij onderdelen die een minder groot publiek aanspreken en die een mate van kennis veronderstellen bij de lezer/bezoeker: "Denk met name aan computerinformatie of ict-informatie voor professionals, of informatie voor ouders zoals een rubriek opvoeding binnen Gezond & Wel of een site als MijnKindOnline."

De vraag is waarom Planet reacties dan niet modereert. Dat vereist investeringen in menskracht en software. "Is dat een zinnige investering? Gaat het geld opleveren? Nee. Het gaat zelfs zeer veel kosten. Het aanpassen van de gebruikte systemen vraagt om forse investeringen en er gaat operationeel en organisatorisch ook veel tijd en dus geld in zitten."

Daar staan volgens Van Twisk onvoldoende extra revenuen in de vorm van een beter imago van de titels, meer bezoekers en (dus) meer reclamegelden tegenover. "Ik geloof wel dat de bezoekers het zullen appreciëren, maar het is geen conditio sine qua non voor een internetuitgave."

Ouders Online

De Planet-hoofdredacteur noemt MijnKindOnline al, dat een samenwerking is tussen Planet en Ouders Online. Justine Pardoen maakt mede beide uitgaven. De laatste is vrijwel van begin af aan (1996) sterk afhankelijk geweest van inbreng van lezers. Drie moderatoren - geen vrijwilligers maar in dienst van Ouders Online - zien toe op de kwaliteit van de forums. Ze krijgen betaald op basis van een vast bedrag per ingezonden bericht in de rubrieken die ze beheren.

Justine Pardoen van Ouders Online: "We rekruteren hen uit de forumgemeenschap. Eisen: ze moeten het forum kennen (minstens een jaar regelmatig aanwezig zijn geweest, minimaal passief) en de sfeer, regels en gebruiken goed kennen. Ze moeten minimaal één keer per dag en één keer in het weekend het forumbeheer kunnen doen. In de praktijk kijken ze vaker per dag, met name wanneer er brandjes zijn of verwacht worden."

De gemeenschapszin is heel belangrijk, vindt Pardoen: "Mensen moeten ons forumbeleid ondersteunen, zonder dat ze slaafs mijn regels handhaven. Dus geen mensen die vinden dat het allemaal heel anders moet, maar mensen die zelf ook input geven voor een goede ontwikkeling op grond van wat er leeft in de gemeenschap aan behoeften. In de praktijk gebeurt dat ook heel veel. Daar discussieert de forumredactie van vier personen onderling over."

Het verloop is zeer gering, slechts twee haakten er af in al die jaren. Dat komt ook door de betrokkenheid. Ze zien elkaar eens per jaar bij ons gezamenlijke diner. "We bellen en mailen ook veel. De betrokkenheid stellen we enorm op prijs, ook al zitten ze op afstand."

Is het forum belangrijker dan redactie? Pardoen: "Niet in ons perspectief, maar het kan voor onze bezoekers anders liggen. Er is een deel dat nooit redactionele artikelen leest, hooguit in het archief, en alleen naar het forum gaat. Een ander deel leest elke week de redactionele bijdragen, ontvangt de nieuwsbrief daartoe en komt vrijwel nooit op het forum. En er is een deel dat beide delen van de site regelmatig bezoekt."

Bezoekersaantallen groeien jaarlijks 30 procent, vooral door mond-tot-mondreclame en het vinden van Ouders.nl via zoekdiensten. "De laatste jaren heeft een enorme verbreding plaatsgevonden: ook bepaalde groepen allochtonen weet ons nu te vinden. Onze bezoekers zijn in tegenstelling tot het begin van ons bestaan lang niet meer allemaal hoog opgeleid met een hoog inkomen."

De differentiatie is juist met internet goed te behappen, vindt Pardoen: "Dat kan beter dan met een formule op papier. Die differentiatie van je lezerspubliek binnen één titel is een enorm uitdagend en inspirerend. Het voordeel van name de vele en snelle interactie tussen lezers en redactie is dat je trends en veranderingen heel snel kunt zien, eigenlijk nog voordat het door lezersonderzoek bevestigd wordt."

Niet minder dan 30.000 forumbijdragen per maand en daarnaast maandelijks 3.000 vragen aan de publicerende deskundigen en de redactie leveren substantiële informatie voor de ontwikkeling van de website. "De input van onze bezoekers is al vanaf het begin van Ouders Online dé basis van onze redactionele artikelen. We werken wat dat betreft zoveel mogelijk bottom-up. Tegelijkertijd is de rol van een goede redactie heel belangrijk. Ik schat zelfs dat die in de toekomst met de groei van internet steeds belangrijker wordt, maar dan wel op een andere manier dan we traditioneel gewend zijn van papieren media."

Pardoen gelooft niet dat de lezer de macht grijpt. Ze voelt meer voor het 'primus inter pares'-idee: "De rol van een goede redactie op internet wordt tegenwoordig wat onderschat, omdat er uitgegaan wordt van de gedachte dat internet de macht aan de lezer geeft. Dit in tegenstelling tot de traditionele media, waar de rol van de lezer alleen die van ontvanger was. Ik vind het denken in termen van een machtswisseling veel te beperkt: je creëert een tegenstelling waarmee je het zicht verliest op wat er werkelijk gebeurt."

"Denken in de oude tegenstelling 'lezers versus redactie' suggereert ten onrechte dat de rol van een redactie op internet uitgespeeld is. Niets is minder waar. Juist omdat via internet iedereen kan publiceren, krijgt het enorme toegevoegde waarde als er een redactie is die daar iets doet met die inbreng van lezers. De taak van een redactie om analyse en verdieping te verzorgen blijft. Wat verandert, is de groei naar een veel zinvoller wisselwerking met een werkelijke uitwisseling tussen lezers en redactie."

"Ik ben heel erg blij met deze ontwikkeling. Werkelijke kennis en inzicht kunnen tenslotte ook alleen maar bereikt worden in dialoog. Zelfs wetenschap werkt zo. Het is dus een enorme verbetering als dit ook in de journalistiek en de politiek doordringt."

Rupert Murdoch

Al schrijvende aan dit artikel passeren in hoog tempo nieuwe uitingen en initiatieven voor 'participatieve journalistiek'. Zo maakte De Nieuwe Omroep bekend video's van kijkers online en op tv te gaan vertonen, passend bij de doelstelling van de omroep.

Het meest verrassend - of misschien juist niet - was de uiting van mediamagnaat Rupert Murdoch van News Corp. voor de American Society of Newspaper Editors. Murdoch, na jarenlang internet genegeerd te hebben, hield een pleidooi voor nieuwe wegen, vrijwel zonder weerga in deze kringen. Volgens Murdoch hebben uitgevers en journalisten veel te lang hun publiek beschouwd als dom lees- en kijkvee en hebben ze daardoor de band met hun publiek verloren.

Nu is Murdoch al snel in de verdachtenbank te plaatsen als een persoon die media louter ziet als instrument voor winstmaximalisatie en het verspreiden van maatschappelijke opinies ten behoeve van een rechts kapitalisme, maar zo is de plotselinge ommezwaai van Murdoch bepaald niet terzijde gelegd. Zo was deze uiting was de aanleiding voor The Economist voor het artikel Yesterday's Papers, waarin het meest gerenommeerde tijdschrift betoogt dat het over en sluiten is voor kranten zoals die vandaag de dag het eenrichtingsverkeer met hun publiek bepalen. De conversatie moet in de plaats komen van de distributie, onder meer met het serieus nemen van weblogs.

Dat Murdoch de 'nieuwe markt' omarmt is in ten minste één opricht gunstig: hij maakt een snelle wending van opvatting naar exploitatie. Want ook The Economist plaatst nog vraagtekens op dit punt: niemand heeft nog een antwoord al lijkt het in de richting te gaan van meer op kleine doelgroepen en individuen gerichte distributie met in elk geval video als belangrijke component.

Conclusie

Inbreng van kijkers en lezers is onontbeerlijk voor de ontwikkeling van publicaties en journalistiek. Het is evenwel een misvatting te veronderstellen dat de inbreng van deze lezers, kijkers en bezoekers het grootste gewicht krijgt en werk van journalisten geheel in de schaduw stelt. Dat gebeurt tenminste niet als de laatste groep luistert.

Integendeel: openstaan voor reacties zal - goed gedoseerd (niet altijd is er meerwaarde) en georganiseerd - leiden tot betere kwaliteit van de journalistiek, van selectie tot publicatie en terug. In plaats van een lineair proces wordt journalistiek meer een permanent proces van dialoog waarin de journalist als primus inter pares zijn gezag ontleent aan kennis en kunde en niet meer exclusief aan een verworven positie en exclusieve toegang tot media.

Het is aan uitgevers om dit zich vernieuwende model in een haalbare exploitatie te gieten en uit te gaan van de kansen die dit biedt, in plaats van krampachtig vast te houden aan belangen van oude modellen doen uitgevers er goed aan de nieuwe mogelijkheden te omarmen en te stimuleren.

[Peter Olsthoorn, 31 mei 2005]

Verder in editie 129



Netkwesties zoekt steun

En u kunt helpen! Lees verder »