NETKWESTIES magazine over maatschappij en internet kleine letters normale letters grote letters
20-05-2005 bepaal de lettergrootte
ACTUEEL COLUMNS COLOFON ABONNEER

Invloed spook van anonimiteit valt mee op internet

De traditionele journalistiek maakt zelf regelmatig gebruik van anonieme bronnen, maar hekelt tegelijkertijd anonieme scribenten op internet.

Dat een serieuze pers niet zonder klokkenluiders kan, die alleen in vertrouwen hun verhaal willen doen, kunnen veel journalisten nog wel accepteren. Maar dat vooral door internet anonieme bronnen rechtstreeks de publiciteit kunnen zoeken en zelfs journalisten niet langer de moeite nemen om zich voor te stellen, roept veel weerstand op. Is dat terecht?

Dit artikel maakt deel uit van een onderzoek naar online uitgeven en journalistiek dat steun krijgt van het Bedrijfsfonds voor de Pers.

Europa haat George W. Bush, maar Amerikanen bespotten tot op de dag van vandaag een veel oudere naam: die van Richard M. Nixon, de inmiddels overleden 37ste president van de Verenigde Staten. Bob Woodward en Carl Bernstein, journalisten van de Washington Post, brachten hem in 1974, onder meer dankzij de anonieme bron 'Deep Throat', ten val. Nog steeds weet niemand wie Deep Throat is - op Bernstein, Woodward en toenmalig hoofdredacteur Benjamin C. Bradlee na.

"Zonder Deep Throat was die leugenaar waarschijnlijk nooit naar huis gestuurd", zegt Rogier van Bakel, een Amerikaanse journalist van Nederlandse afkomst, die in 1991 Nederland verliet en ervaring heeft met zowel Nederlandse als Amerikaanse media. Hij krijgt bijval van Stephen Kohn, voorzitter van de Raad van Bestuur van het Amerikaanse National Whistleblower Center: "Zonder journalistieke vertrouwelijkheid zou het publiek nooit iets horen over de meeste overheidsmisstappen."

Waarmee maar gezegd wil zijn: het is niet per se verkeerd om als journalist gebruik te maken van informatie uit een voor de lezer onduidelijke bron. De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) denkt daar hetzelfde over. Sterker nog, nog altijd loopt met steun van de NVJ bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een rechtszaak rond de gijzeling van Spits-verslaggever Koen Voskuil. Justitie gijzelde hem van 22 september tot 9 oktober 2000, omdat hij weigerde zijn bron te onthullen voor een bericht rond de strafzaak van crimineel Mink K.

De rechtszaak bij het EHRM stoelt op het zogeheten Goodwin-arrest uit 1996: de Britse journalist Bill Goodwin van het tijdschrift The Engineer hoefde niet zijn bron prijs te geven voor een artikel over Tetra Business Systems. Het Hof baseert zich daarbij op artikel tien, lid 1, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit garandeert de vrijheid van meningsuiting en dus de persvrijheid. Die laatste komt in het geding als journalisten hun bronnen geen vertrouwelijkheid meer kunnen garanderen. Want welke klokkenluider haalt het nog in zijn hoofd om belangrijke informatie te lekken op voorwaarde van anonimiteit, als één dagvaarding genoeg is om de journalist te dwingen die afspraak te schenden?

Prudente omgang

Toch bestaat in de journalistiek - ondanks rechterlijke goedkeuring - huiver om anonieme informatie te gebruiken. En daarvoor zijn goede redenen.

Zo hebben anonieme bronnen het niet altijd bij het rechte eind. Het Amerikaanse opinieblad Newsweek publiceerde op 9 mei 2005 een artikel waarin op basis van een anonieme bron werd gesteld dat ondervragers op de militaire basis in Guantanamo Bay een koran door het toilet hadden gespoeld. Op 15 mei bood Newsweek zijn excuses aan: de anonieme bron had zijn verhaal bijgesteld. Op 16 mei trok Newsweek het artikel zelfs volledig in. In Afghanistan en andere islamitische landen waren inmiddels ten minste zeventien doden gevallen door onlusten als gevolg van het verhaal.

Rogier van Bakel is kritisch: "Ik vind niet dat Newsweek iets buitengewoon onoirbaars valt aan te wrijven. Al moet je achteraf constateren dat het wel erg mager was om zo'n verhaal maar aan één enkele bron op te hangen. En die was dus nog onbetrouwbaar ook! Al met al geen goeie beurt van het blad."

Een voortdurend journalistiek risico is manipulatie. Van Bakel: "Het gevaar met anonieme bronnen is dan dat de lezer niet weet voor wiens karretje hij of zij gespannen kan worden. Heeft de bron een appeltje te schillen met deze of gene? Is zijn nieuwslek een verkapte wraakoefening?"

Hij verwijst naar de zaak-Robert Novak, een Amerikaanse journalist voor de Chicago Sun-Times die de naam van CIA-agente Valerie Plame bekendmaakte. Haar echtgenoot, voormalig ambassadeur Jospeh C. Wilson, heeft de theorie geuit dat dit gebeurde om zo wraak te nemen voor het feit dat Wilson regelmatig kritiek op de regering-Bush uitte.

Daarnaast is er het gevaar van fraude. Geef een journalist onbeperkt het recht om anonieme bronnen te gebruiken en hij kan zo'n beetje alles beweren zonder daarvoor verantwoording af te leggen. Dat de Europese journalistiek, in tegenstelling tot de Amerikaanse, geen fact checkers kent die met nabellen van bronnen de feiten controleren voor publicatie, draagt daar volgens Van Bakel aan bij: "Het bestaan van een anonieme bron is zelden te verifiëren. Soms moeten verslaggevers hier de identiteit van hun bronnen prijsgeven aan hun directe chef, de hoofdredacteur of fact checker. Dat houdt je eerlijk. Dat komt in Europa een stuk minder voor."

Nog steeds twijfels

Het Goodwin-arrest geeft journalisten dan ook geen absoluut recht tot bronbescherming. Er kunnen volgens het Hof andere, zwaarder wegende belangen zijn. Dat staat ook met zoveel woorden in lid 2 van hetzelfde artikel 10 van het EVRM dat Goodwin in het gelijk stelde.

De vrijlating van Koen Voskuil, zonder dat hij zijn bron had onthuld, wordt soms ten onrechte als overwinning voor de persvrijheid gezien. Immers uit het vonnis blijkt dat de rechter Voskuil nergens gelijk geeft. Letterlijk concludeert de rechter dat, na het horen van tien andere getuigen, "niets anders [kan] worden afgeleid dan dat de verklaring van V. (...) geheel op zichzelf staat en op geen enkele wijze door verklaringen van anderen en/of de inhoud van schriftelijke stukken wordt ondersteund of bevestigd. In tegendeel: de verklaring van V. wordt door verklaringen van 10 verbalisanten (...) tegengesproken."

In gewoon Nederlands: de rechter achtte Voskuil totaal ongeloofwaardig. Voskuil werd vrijgelaten, niet omdat de rechter boog voor diens ijzeren wil, maar omdat er toch niets nuttigs uit zijn mond zou komen: "Nu aan de verklaring van V. in de strafzaken tegen Van S. en H. geen betekenis toekomt, dient de gijzeling van V. ook geen enkel belang meer. Deze moet derhalve met onmiddellijke ingang worden opgeheven."

Beruchte gevallen

De zaak-Voskuil is ambigu omdat ze nog steeds onder de rechter is. Dat geldt niet voor drie journalistieke drama's in de Verenigde Staten met anonieme bronnen. Een berucht geval vormde de jonge journalist Stephen Glass, die in de jaren negentig voor het prestigieuze opinieblad The New Republic schreef. Glass kwam ten val, nadat Forbes-verslaggever Adam Penenburg in 1998 het verhaal 'Hack Heaven', over een jonge hacker, besloot te controleren. Er bleek niets van waar. The New Republic stelde daarop zelf vast dat Glass ten minste 27 van de 41 bijdragen baseerde op fictieve personen en uitspraken van fictieve 'anonieme bronnen'.

In 2003 vertrok Jayson Blair bij de New York Times om soortgelijke journalistieke fraude. Ook Blair verzon regelmatig anonieme bronnen. De New York Times bleek onvoldoende toezicht te hebben gehouden op de toen 27-jarige verslaggever. Hoofdredacteur Howell Raines en redactiechef Gerald Boyd trokken hun conclusies en stapten kort na Blairs vertrek op.

En ook dit jaar lijkt het weer raak te zijn. Op 9 mei publiceerde het technologietijdschrift Wired een verklaring waarin artikelen van freelance journaliste Michelle Delio in twijfel worden getrokken. Penenburg - dezelfde die Glass ten val bracht - had Delio's verhalen onderzocht. Veel van haar (soms anonieme) bronnen bleken onvindbaar.

MIT Technology Review trok al eerder twee artikelen van Delio om soortgelijke redenen in, nadat van de tien gecontroleerde verhalen er slechts drie niet discutabel waren. Het blad Infoworld ten slotte verwijderde vier van Delio's artikelen op grond van anonieme bronnen.

Lange geschiedenis

Van het voorrecht om anonieme bronnen te kunnen gebruiken, kan en wordt dus soms misbruik gemaakt. En ook als de journalist te goeder trouw handelt, kan het dramatisch misgaan, zoals het Newsweek-voorbeeld aantoont. Des te begrijpelijker is dan ook de scepsis jegens internet, waar anonieme bronnen niet eens meer een journalist hoeven te overtuigen, maar zonder enige drempel zelf kunnen publiceren.

In theorie mocht iedereen zich altijd al journalist noemen, een logisch gevolg van artikel 7 van de Grondwet, dat vrijheid van meningsuiting garandeert. Maar dankzij weblogs en andere gebruiksvriendelijke publicatiemethodes kan, wie dat wil, dit grondwettelijke recht in praktijk brengen. Een Amerikaanse dienst als Invisiblog is doelbewust opgezet om iedereen de gelegenheid te geven om anoniem te publiceren. Dus doemen er bezwaren op, die al een lange geschiedenis kennen.

Anton Ekker, die aan het Instituut voor Informatierecht (IVIR) werkt aan een proefschrift over anonimiteit, verwijst naar de begindagen van de drukpers. Die was toen, net als internet nu, een belangrijke technische doorbraak naar meer publicatie- of persvrijheid. "Aan het begin van de 16de eeuw werd Nederland overspoeld met geschriften. De katholieke kerk voerde censuur in. Het gevolg was dat de pamfletschrijvers de anonimiteit zochten. Waarop de kerk anonimiteit verbood", weet Ekker.

"Anonieme journalistiek is gevaarlijk", stelde de Britse schrijver Gilbert Keith Chesterton in 1909 onomwonden. En die mening wordt nog altijd gedeeld - onder meer door Hans Verploeg, secretaris van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ): "Anonimiteit is er om je bron te beschermen, niet om jezelf te beschermen".

Leo Enthoven, chef journalistieke opleidingen bij Wegener, denkt daar hetzelfde over: "Mensen dienen open en eerlijk voor hun meningen uit te komen, ook al zijn die meningen controversieel, ook al schurken die meningen aan tegen datgene dat wettelijk nog net is toegestaan."

Levensgevaar als reden

Toch gebruiken traditionelere media anonieme online publicaties soms (aarzelend) als bron - ook als die niet te verifiëren zijn. Het bekendste voorbeeld hiervan is de 'Baghdad Blogger', die in 2003 vanuit de Iraakse hoofdstad op zijn weblog Where is Raed? schreef over lokale gebeurtenissen in de opmaat naar de Amerikaans-Britse invasie van zijn land.

Where is Raed? stelde journalisten voor een dilemma: het bestaan van het blog was een nieuwsfeit op zich, maar niemand durfde het al te serieus te nemen. Per slot van rekening was niet duidelijk wie er achter de site zat - zelfs niet of de persoon die zich 'Salam Pax' noemde een Irakees was. The Guardian-correspondent Rory McCarthy spoorde uiteindelijk de man achter 'Where is Raed' op. Dat bleek een 29-jarige architect, die prompt werd ingehuurd om voor The Guardian columns te gaan schrijven.

Maar ook daarbij werd zijn (valse) achternaam afgedrukt, daar Pax in Irak gevaar kon lopen. Ironisch genoeg bleek Pax op zijn blog vaak te hebben geschreven over zijn belevenissen als vertaler van een Amerikaanse journalist. Dat bleek Peter Maass te zijn, die dat zelf pas ontdekte na terugkeer in de Verenigde Staten.

Levensgevaar is ook een reden voor journalisten om op internet anoniem te publiceren. Illustratief is de Amerikaanse Marika Olsen, voormalige medewerker van CNN en Time, die in Oezbekistan een weblog onderhield met slechts de initialen M.O. als hint naar haar identiteit. Wie de stukjes wilde lezen, moest bovendien eerst per e-mail bij Olsen een wachtwoord aanvragen.

Olsen noch Pax ontmoetten kritiek van journalisten voor de gekozen anonimiteit, in tegenstelling tot de personen achter zogeheten 'shock blogs' als GeenStijl en VKmag (voorheen 'Volkomen Kut'). Daar worden schuilnamen gebruikt als Prof. Hoxha en Lula Lovelips, iets waar Verploeg van de NVJ niet enthousiast van wordt: "In het circuit weten mensen wel wie er achter GeenStijl zit, maar de gewone lezer weet dat niet. Het is wel heel prettig als ergens een naam bijstaat, zodat je weet wie het zegt."

Enthoven van Wegener valt hem bij: "Ik heb de identiteit van de verkondiger van een mening nodig om zowel belang als waarde van die mening goed te kunnen beoordelen."

Maar is dit representatief voor online publicaties? Ook gedrukte media kennen immers columnisten onder pseudoniem, zoals de Volkskrant met Maaike Helder (Hugo Brandt Corstius) en Kader Abdollah (Hossein Sadjadi Ghaemma). Een blad als The Economist publiceert vrijwel alle stukken anoniem, hoewel deze doorgaans zeer opiniërend van karakter zijn.

Volgens The Economist is het blad een collectief product, wat haaks staat op het toeschrijven van artikelen aan personen. Ook de makers van GeenStijl beriepen zich daarop. Bovendien zeiden ze voor verhulling van hun identiteit te kiezen vanwege persoonlijk gevaar, van onder meer rechtsextremistische jongeren waarover ze kritisch schreven.

Een pseudoniem gebruiken, zoals op GeenStijl en VolkomenKut gebeurt, betekent bovendien niet dat de lezer daardoor wordt beroofd van zijn vermogen kritisch te zijn. Dat beargumenteert althans Marleen Zachte, betaald weblogger voor Quotenet: "Mensen die onder een nickname loggen, bouwen net als anderen een oeuvre op. Dat biedt een referentiekader met een soort betrouwbaarheidsfactor."

Met andere woorden: zolang iemand maar lang genoeg onder dezelfde schuilnaam publiceert, biedt deze voor de lezer net zoveel herkenning als een echte naam.

Wat Hugo Brandt Corstius mag, is ook toegestaan voor genoemde shocklogs, lijkt het op het eerste gezicht. Maar de genoemde blogs hebben er geen enkele moeite mee om van andere personen wel de persoonlijke gegevens de wereld in te helpen, als ze dat moreel gerechtvaardigd vinden. Zo publiceerde GeenStijl onlangs nog de volledige naam van een leraar die werd verdacht van ontucht met leerlingen. Vkmag zette zijn lezers op het spoor van de personen achter een website waarop dubieuze foto's te zien waren van jonge kinderen in zwemkleding.

Dergelijke naming and shaming behoort bepaald niet tot de Nederlandse journalistieke traditie, maar past wel in een trend van meer media. Elsevier publiceerde de verdachte van de moord op Theo van Gogh met zijn achternaam, Justitie gaf in Opsporing Verzocht het portret van de verdachte zonder balkje voor de ogen vrij. En SBS6 toonde herkenbaar een buurtbewoner in de Graafsewijk van Den Bosch die bekende zijn stiefdochter te hebben misbruikt.

Belangrijke rol

Of weblogs zich zoveel onfatsoenlijker gedragen dan traditionelere media, is dus nog maar de vraag. Daar staat tegenover dat anonieme internetpublicaties een belangrijke rol hebben gekregen in de informatievoorziening. Berichten van met name GeenStijl worden regelmatig overgenomen in andere media. Een stukje op die site over vermeende misstanden bij een prijsvraag van muziekzender TMF leidde zelfs tot Kamervragen. Hetzelfde gebeurde na een stuk van GeenStijl over het communicatiesysteem C2000.

Minder bekend is de site Kleintje Muurkrant, waar samenvattingen van telefoongesprekken uit het politieonderzoek naar de moord op topcrimineel Sam Klepper verschenen. Het Parool schreef er in augustus 2004 over.

Wanneer het er echt op aankomt, blijken de 'shock blogs' zich braaf te kunnen gedragen. Zo kondigde GeenStijl op 28 januari onthullingen aan over een onderzoek naar mensensmokkel door de Koninklijke Marechaussee. Op basis van een anonieme bron beloofde het blog zijn lezers een 'Worddocument van 75 pagina's met daarin gesprekken, telefoonnummers en sms-jes van verdachten'. Enkele uren later kwam GeenStijl op dat voornemen terug, na een telefoontje van Justitie, die dreigde met vervolging. GeenStijl motiveerde het intrekken van de voorgenomen publicatie als volgt: "Het mag natuurlijk niet zo zijn dat een lopend en grootschalig onderzoek naar mensensmokkelaars stuk loopt."

Gescholden

Er wordt ook veel gescholden op internet, maar het lijkt er niet op dat anoniem geblèr een vruchtbare toekomst tegemoet gaat. Daarvoor zijn drie hoofdredenen: marktwerking, het zelfreinigende vermogen van internet en de matigende werking van de rechterlijke macht.

Wat betreft marktwerking geldt het principe dat er inmiddels te veel websites zijn om alles nog te kunnen (ver)volgen. Alleen al het aantal weblogs is geëxplodeerd. Voor Nederland noemde Netkwesties cijfers van een kwart tot een half miljoen. Het spreekt voor zich dat geen lezer die allemaal bij kan houden. Daaruit volgt weer dat automatisch selectie optreedt. Sites die constant onzin verkondigen, zullen snel lezers verliezen - en omgekeerd.

Bij het bepalen van de betrouwbaarheid helpt een tweede filter: het zelfreinigend vermogen van internet. De jarenlange fictie van de mondige lezer is, mede dankzij weblogs, werkelijkheid geworden. Als een site onjuistheden afdrukt, wordt de maker daar vaak snel op gewezen, meestal in de reactiepanelen onder de berichten op de weblogs. Sites die hier niet over beschikken, worden steeds meer gewantrouwd.

Weblogs corrigeren elkaar ook, en ook gevestigde media. En tv-station CBS zag zich gedwongen verontschuldigingen aan te bieden voor een uitzending waarin vervalste documenten over de diensttijd van George W. Bush als echt werden gepresenteerd. Weblogs toonden aan dat het om een vervalsing (pdf) ging.

"Het zelfreinigend vermogen is op internet een stuk groter dan in de traditionele media", zegt Zachte van Quotenet. "Iedereen die van een bepaald onderwerp veel afweet, leest regelmatig onzin in de krant, geschreven door niet-anonieme journalisten, die niet de moeite nemen om correcties aan te brengen. Op internet gebeurt dat sneller, puur omdat het gemakkelijker is." Zachte verwijst naar een column die internetpublicist Francisco van Jole schreef en die zowel in de Volkskrant als op website 2525.com verscheen. Later publiceerde Van Jole hierop een correctie. Die verscheen echter niet in de Volkskrant, maar enkel online.

Soms ontbreekt de zelfreiniging of biedt het slachtoffer een onvoldoende genoegdoening. In dat geval is er de rechter als laatste filter. Die heeft zowel in Nederland als in het buitenland tot dusver korte metten gemaakt met personen die de anonimiteit van internet misbruiken. Dat blijkt onder meer uit de jurisprudentie van de zaak-Pessers. Advocaat en postzegelhandelaar Augustinus Pessers werd op de site van een anonieme Lycos-klant beschuldigd van zakelijk bedrog. Op de site 'Stop the Fraud' stonden teksten als "Have you been ripped off by Pessers@home.nl on E-bay, join our quest for justice!!". Pessers bloeiende handel in postzegels via veilingsite eBay, met een jaarlijkse omzet van 350.000 euro, zou daardoor schade hebben geleden.

Uit de uitspraak (pdf) van het Gerechtshof van Amsterdam blijkt de rechter allerminst tolerant te staan tegenover misbruik van anonimiteit. Lycos moest de naam- en adresgegevens van de anonieme klager prijsgeven. Pessers schoot daar overigens niets mee op, omdat de gegevens vals waren. De zaak ligt nu bij de Hoge Raad.

Dit lijkt een nuttige ontwikkeling tegen misbruik. Caspar Wenckebach, de advocaat van Lycos, vreest echter voor de uitwerking van het vonnis: "Het Hof heeft gezegd dat je als internetaanbieder de adresgegevens van een klant moet aangeven als de andere partij aannemelijk kan maken dat de informatie mogelijk onrechtmatig is. Zo'n lage drempel voor de eiser van adresgegevens vind ik wel vrij ver gaan."

Wenckebach is bang dat de jurisprudentie ertoe zal leiden dat internetaanbieders sneller gegevens zullen vrijgeven: "Ze gaan niet elke keer de rechter opnieuw om een afweging vragen." Ook is Wenckebach bang voor zelfcensuur van internetgebruikers.

Dat laatste bezwaar klinkt ook door in het repliek van Lycos aan de Hoge Raad. Daarin schrijven de advocaten Egbert Dommering en Remy Chavannes: "De mogelijkheid om anoniem te communiceren [is] een essentieel onderdeel van de vrijheid van meningsuiting. Een regel die die anonimiteit in de meeste gevallen gemakkelijk opheft [heeft] een verstikkende werking op de vrijheid van meningsuiting." (Alle stukken van de rechtszaak staan hier.)

Saillant detail: auteursrechtenorganisatie Brein betaalt mee in de zaak tegen Lycos. Brein wil dat Pessers wint, want de organisatie hoopt dat het in de toekomst makkelijker wordt om adresgegevens bij internetaanbieders op te vragen. Dat zou het makkelijker maken om personen aan te pakken die illegaal en ook anoniem muziek aanbieden via P2P-netwerken.

Tot dusver blijkt dus uit niets dat misbruik van anonimiteit wordt getolereerd. Daar komt bij dat anonimiteit zelf steeds meer onder vuur ligt. Weliswaar kan een slimme internetgebruiker met behulp van gratis programma's als TOR en Privoxy uit het zicht blijven. Maar niet iedereen heeft die kennis, denkt internetadvocaat Christiaan Alberdingk Thijm van Solv: "De anonimiteit op internet is voor een groot deel schijn-anonimiteit. Het is in de meeste gevallen wel mogelijk iemands identiteit te achterhalen, bijvoorbeeld aan de hand van een IP-adres."

Pro en contra

De negatieve effecten van anonimiteit vallen mee en wegen minder zwaar dan de voordelen. "Je kunt anonimiteit voor twee dingen gebruiken", zegt Eugene Volokh, een Amerikaanse jurist die ondermeer een standaardwerk over de vrijheid van meningsuiting (het First Amendment) schreef en een weblog bijhoudt. "In het eerste geval gebruik je anonimiteit in een debat, omdat je niet wilt dat mensen weten wie je bent. Tijdens de Amerikaanse Revolutie was dat heel gewoon.

Bekende revolutionairen als James Madison schreven onder het synoniem 'Publius', omdat ze niet wilden dat hun identiteit afleidde van de discussie. Omgekeerd zijn er ook mensen die om persoonlijke redenen liever geheim blijven. Dat geeft niet. Mensen kunnen zelf wel beslissen of ze een anonieme mening serieus nemen", zegt Volokh.

"In het tweede geval wordt anonimiteit gebruikt om valse beschuldigingen, dus geen opinies of feitelijkheden, te uiten aan het adres van een ander. Dat zou laster kunnen zijn, en je kunt je daar dan niet tegen verdedigen." Volokh tilt hier niet zo zwaar aan, om dezelfde reden die Marleen Zachte noemde, reputatie-opbouw. De anonieme beschuldiger komt zelf in een slecht daglicht te staan. "De meeste mensen worden vanzelf achterdochtig als ze anonieme beschuldigingen horen. Daarom denk ik dat het wel meevalt met het gevaar dat anonimiteit kan vormen."

In goed-Amerikaanse traditie adviseert Volokh dan ook de zelfredzaamheid, mocht het hoger beroep in de Pessers-zaak door Lycos worden verloren. "Consumenten moeten van hun internetaanbieders gewoon eisen dat die geen persoonsgegevens overhandigen aan derden zonder dat die iedere keer weer een gerechtelijk bevel eisen", zegt Volokh. En internetaanbieders die enkel op grond van jurisprudentie persoonsgegevens overleggen, dienen aan de schandpaal te worden genageld. Volokh: "Waarom geen 'Rat van het Jaar'-prijs voor de internetaanbieder die het makkelijkste persoonlijke gegevens overlegt?"

Zoiets is er echter al: Bits of Freedom met zijn Big Brother Awards voor notoire privacyschenders. Aan de andere kant ontbreekt er nog een 'Rat van het Jaar'-prijs voor de smerigste anonieme leugen. Met de winnaar met een bivakmuts op het podium en journalisten en loggers die er alleen over mogen schrijven als ze beloven hun naam boven het artikel te zetten.

[Arjan Dasselaar, 20 mei 2005]

Verder in editie 128



Netkwesties zoekt steun

En u kunt helpen! Lees verder »