De macht van Facebook - Hoofdstuk 12

Onze sociale banden

Hoe zit het met de omvang van onze sociale verbanden en wat doen we precies op internet? Hoe groot zijn onze vriendenkringen op Facebook en hoe groot zouden ze idealiter zijn? Kun je daar met enige zinnigheid beweringen over doen? En daaraan verbonden: hoe staat het met het sociaal gedrag van Facebookers in hun buurt, met verenigingen als voetbalclubs en op hun werk? Dat komt in dit hoofdstuk aan bod.

Tot slot kijken we naar sociologisch onderzoek met sociale media in het algemeen en Facebook in het bijzonder als onderwerp. Hoe gaan wij ermee om? Of wellicht beter: hoe gaan ze met ons om? Kortom, de wisselwerking tussen de nieuwe fenomenen en ons gedrag.

We publiceren het boek De macht van Facebook in hoofdstukken op Netkwesties.nl. Het boek dateert uit 2011, maar veel van de onderwerpen keren juist nu terug in actuele artikelen van bekende titels.

Eerder verscheen:

Inleiding
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 9

Hoofdstuk 10
Hoofdstuk 11

Mijn oom en ouderen op Facebook

M'n favoriete oom was een sfinx. Begin jaren vijftig van de vorige eeuw is hij op een boot gestapt om, als zo velen, te emigreren. In thuisland Nieuw-Zeeland werkte hij in houtfabrieken dagelijks een dubbele shift, 16 uur, om veel geld te verdienen. Als verstokte vrijgezel maakte hij dat op aan reizen naar de Olympische Spelen en WK's.

Ik word net als ome Nic. Ik ga later niet trouwen, maar reizen. Dat vertelde ik als jochie. Het liep iets anders, de grootste bekoring leidde tot een ander leven, met als voordeel dat je kinderen krijgt die het nog eens kunnen proberen.

Maar ome Nic bleef zijn principes wel trouw. Hij zag vanaf de Olympische Spelen van 1960 in Rome alle grote sportevenementen en kwam met ons uithuilen na de verloren voetbalfinale tegen Duitsland in 1974. Niemand mocht hem ooit bezoeken in Nieuw-Zeeland. Dat was van hem, privé. We schreven brieven, maar terugschrijven was een zeldzaamheid. Hij had geen telefoon en uiteraard geen internet.

Kan dat nog in het tijdperk van sociale media? Je gaat over de tong en familie in verre oorden wil contacten onderhouden. Ongevraagd kom je alles te weten van mensen die wellicht beter op afstand kunnen blijven. Zelfs na hun dood blijven ze nog een poosje, of zelfs voorgoed, bij ons met hun foto's en films.

Facebook heeft de wereld juist in het koppelen van familie en vrienden in andere landen een grote hoeveelheid geluk geboden. Eerst enkel met foto's en tekst, nadien ook met video en sinds kort met videochats. En dat allemaal op één plek.

Altijd verneem je over jongeren die verslingerd zijn aan de sociale media, maar juist ouderen die meer plaatsgebonden zijn (en een grotere kans hebben te verdrinken in saai- of eenzaamheid) zijn geholpen met de uitingen van hun kleinkinderen via Facebook en met het onderling babbelen. Het aantal oudere Facebookers stijgt relatief het snelst, met in de VS een vertienvoudiging van 2009 op 2010. In totaal is nu ruim 5 procent van de Facebookers ouder dan 55 jaar, onder wie meer vrouwen dan mannen.

Spellen de grote motor

Ouderen zijn ook steeds ferventere spelers van de spelletjes, als ze de drempel eenmaal over zijn. Social gaming is wellicht de grootste collectieve verandering. Met CityVille op Facebook hielden al 85 miljoen mensen zich bezig. Van alle internetters speelt volgens Comscore een kwart spelletjes, letterlijk van jong tot oud. Op Facebook is dat dubbel zo veel, want daar ontpopt de helft zich als homo ludens: 300 miljoen begin 2011. Ze deden dat volgens Electronic Arts gemiddeld 3,5 uur per maand. Anders dan op spelcomputers gaat het om eenvoudige huis-, tuin- en keukenspelletjes, vaak Scrabbleachtige dingen als het snel razendpopulair geworden Wordfeud.

In de afgelopen twee jaar is het spelen de grootste aanjager voor groei van Facebook geweest, dankzij openstelling van het platform voor derden die spellen aanbieden. Zynga (FarmVille, CityVille, Mafia Wars, Zynga Poker), CrowdStar (HappyPets, Topgirls, It Girl, Mighty Pirates, Happy Aquarium), Playfish (The Sims Social, Restaurant City, FIFA Superstars, Pet Society) en Playdom van Disney (Wild Ones, Gardens, City of Wonder) zijn grote aanbieders op Facebook.

Het is een prettige ontspanning voor spelers, maar het blijft handel. Behalve dat er goed wordt verdiend aan reclame gaan er dagelijks honderden miljoenen virtuele goederen over de toonbank. Dat is goed voor meer dan 1 miljard euro omzet per jaar. De meeste spelaanbieders handelen nu via de Facebookwinkel. Facebook krijgt 30 procent van die opbrengst.

Sociale revolutie zonder sociale media

Grondig onderzoek naar internetgebruik in Nederland deden professor Jan van Dijk en Alexander van Deursen van de Universiteit Twente in 2010 en 2011. In het afgelopen jaar hebben ze 1.500 respondenten online ondervraagd, en telefonisch nog eens 150 zonder internet. Volgens hun 'Trendrapport Computer- en Internetgebruik 2010 en 2011' kwam het absolute aantal dagen per week (6,1) en uren per dag (3,1) dat men internet gebruikt neer op een gemiddelde van 2,7 uur per dag. De gebruiksfrequentie steeg flink, want die was in 2005 (SCP) nog gemiddeld 0,5 uur per dag en in 2008 (SCP) gemiddeld 1,2 uur per dag.
Ze haalden eind 2010 uitgebreid de media, daar lager opgeleiden met ruim 3 uur per dag internetgebruik de hoogopgeleide internetters met 2,5 uur inhaalden. "Het is ook voor het eerst in de wereld dat dit is vastgesteld", aldus Jan van Dijk en Van Deursen, die spraken over een 'sociale revolutie op internet'. Een van de oorzaken: werklozen en arbeidsongeschikten gebruiken het internet gemiddeld 4,0 en 4,1 uur per dag, terwijl mensen met een baan dat gemiddeld 2,6 uur doen. In 2011 verschilde dit nauwelijks.
Een van de oorzaken is dat laagopgeleiden vooral tijdrovende internettoepassingen genieten: chatten, online gamen en YouTubefilmpjes bekijken. Dit in tegenstelling tot Nederlanders met een hbo- of wetenschappelijke opleiding, die het internet primair inzetten als informatiemedium voor educatie en carrière.
Er blijft een minderheid van 9 procent Nederlanders, vooral ouderen en lager opgeleiden, die internet niet nodig vindt. Velen zijn analfabeet of naar eigen inzicht te oud. Ruim de helft ziet geen goede redenen om internet aan te sluiten. Nederland is na IJsland (92 procent) het Europese land met het hoogste percentage internetters.

Vrouwen veel meer dan mannen

In 2011 gebruikte 37 procent van de internettende Nederlanders dagelijks sociale netten als Facebook en Hyves. Dan was er nog 10 procent die zei wekelijks sociale netten te bezoeken, en 10 procent maandelijks. Dat laatste telt nauwelijks, dus resteert grofweg de helft van de internetters die tenminste wekelijks Facebook of Hyves bezoekt.
In het dagelijks gebruik is een verschil waarneembaar tussen vrouwen en mannen, respectievelijk 43 versus 31 procent van hen zoekt dagelijks Facebook of Hyves op. Ongeveer een derde deel meer vrouwen dan mannen is dus frequent op sociale netten actief.
Dat is opvallender dan het verschil in leeftijden. Van de groep 16- tot 35-jarigen is bijna 60 procent dagelijks actief op een sociaal net. Van de 55-plussers is dat altijd nog 19 procent, op middelbare leeftijd 37 procent.
Zeker zo opvallend is het feit dat 40 procent van de lager opgeleiden dagelijks sociale netten opzoekt, tegenover 33 procent van de hoger opgeleiden. Van de middelbaar opgeleiden is dat 37 procent.
Het percentage dat zei 'ooit' sociale netten te hebben gebruikt steeg fors , van 64 procent in 2010 tot 70 procent in 2011.
Uit testen bleek overigens dat Nederlanders redelijk scoren op internetvaardigheden, maar niet op strategische vaardigheden. We overschatten onze vaardigheden met het slim en intelligent opzoeken van de juiste informatie op het internet en daaropvolgende strategische keuzes. Dit geldt in het bijzonder voor (jonge) mannen, die in de prestatietests slechter scoorden dan zij zelf vermoedden. We onderschatten daarentegen onze operationele en formele vaardigheden. Met de knoppenkennis zit het wel snor, maar inhoudelijk vinden de wetenschappers ons gemiddeld zwak. Gemak speelt een belangrijke rol in het gebruik, wat ik ook zie als een belangrijke reden voor de groei van Facebook.

Sociale banden binnen en buiten Facebook

Het grootste relevante onderzoek is 'Sociale netwerksites en onze sociale levens' van juni 2011, gehouden door Pew Research in de VS. Deze club levert al jaren gedegen internetonderzoek af, ofschoon de (vergaand positieve) conclusies over sociale netten voornamelijk uit een enquête van eind 2010 komen, en niet uit metingen en diepte-interviews.
Wel ging het hier om een telefonische steekproef, die meer waard is dan peilen via internet. Er zijn 2.250 Amerikanen gebeld, 1.800 met en 450 zonder internet. De helft van die 2.250 doet mee op een sociaal net, bijna allemaal via Facebook. Een kwart van de Amerikanen facebookte dagelijks. Pew onderzocht de invloed van het gebruik van sociale netten op vertrouwen, verdraagzaamheid, sociale steun, politiek engagement etc.
Eerst even een algemeen gegeven uit het onderzoek dat me boeide: hoe groot is het aantal sociale banden (familie, vrienden, kennissen) van de gemiddelde respondent?

Gemiddelde Amerikaan: 634
Gemiddelde Amerikaan op internet: 669
Idem die vaak zit te internetten: 732
Eén keer per dag internetten: 616
Gemiddelde Amerikaan zonder internet: 509
Gemiddelde deelnemer aan sociaal net: 636
Gemiddelde Facebooker: 648
Gemiddelde Twitteraar: 838
Gemiddelde LinkedInner: 838

De onderzoekers trappen niet in de val van het plaatsen van gebruik van de digitale media als oorzaak van meer sociale banden, echter ook niet in omgekeerde richting. Het werkt in twee richtingen: hoe actiever je bent, offline of online, des te meer sociale banden heb je. Bovenal blijken nog andere factoren van invloed; hoger opgeleiden internetten en bellen bijvoorbeeld met meer personen.
Opvallend is dat het aantal sociale banden van de Facebooker gelijk is aan dat van de gemiddelde Amerikaan. Wellicht zou je anders verwachten van de sociale media, maar die stoelen niet op mensen met uitzonderlijk veel sociale banden. Een gemiddelde Facebooker zit dicht bij het gemiddelde. Wel blijken LinkedIn en Twitter het aantal flink op te voeren, maar ik betwijfel of elke link nu echt een sociale band is.
Dit soort cijfers vormen een uitdaging om het voor mezelf eens in kaart te brengen. Hoe ziet m'n sociale omgeving er eigenlijk uit? Wie doen ertoe en in welke mate? Het eenvoudigst is natuurlijk om dat op Facebook uit te zoeken.

Helft banden ook online

De gemiddelde Pew-respondent op Facebook telde 229 vrienden, maar liefst 100 meer dan het gemiddelde dat Facebook meldt. Dit behelst een nogal actieve groep Amerikanen, niet alleen achter het scherm, maar ook sociaal en politiek. Bij de Facebookers is gemiddeld ruim een derde van het totaal aantal sociale verbanden (648) ook op het sociale net een vriend. Herkomst van de vrienden, gemiddeld:

School: 22 procent
Universiteit: 9 procent
Collega's: 10 procent
Gezin: 8 procent
Rest familie: 12 procent

En de resterende 39 procent dan? Dat zijn kennelijk wat ik gemakshalve 'nono's' noem, personen die komen aanwaaien waar je weinig mee hebt. De Facebookers hadden volgens Pew gemiddeld 7 procent van de vrienden nog nooit ontmoet. Je eerste reactie kan een sneer zijn: belachelijk dat er vrienden bestaan die je nimmer hebt ontmoet. Aan de andere kant is die 7 procent een klein percentage, waartoe ook de celebrities behoren die als vriend zijn gevraagd.
Ook boeiend: al 40 procent van de Facebookers heeft hun naaste vrienden ook online als vriend. Dit draai ik graag om: nog altijd 60 procent houdt zijn intieme vrienden offline.

Goede vrienden en een brede kring

Naar het aantal nabije vrienden is ook gevraagd. De gemiddelde Amerikaan in het onderzoek had ruim twee (2,16) relaties met wie hij diepgaand, persoonlijk discussieert over belangrijk geachte kwesties. Bij Facebook kwam dit 9 procent hoger uit, op zo'n 2,35. Opvallend was dat het gemiddelde van 2,16 veel hoger was dan dat van 2008 (toen gemiddeld 1,93). Maar ook hier: gecorrigeerd voor demografie resteert er geen groot verschil. De conclusie is ook hier verdedigend: asocialer zijn Facebookers niet.
Er is nog een mooie onderzoeksvraag gedefinieerd: hebben Facebookers (internetters) een kleiner sociaal kringetje dan degenen die hun sociale banden vooral offline onderhouden? Daar is een ingewikkelde formule voor bedacht die er hier niet toe doet. De uitkomst wel: de sociale spreiding onder online vrienden was groter dan in kringen buiten internet. De vastgestelde diversiteit van vrienden bij niet-internetters was gemiddeld 38, van internetters 43. Ook was die niet gedaald in de loop der jaren.
Bij LinkedIn was die diversiteit het hoogst (47), bij Facebook (39) lager dan bij Twitter (42). Ook de gemiddelde blogger scoorde relatief hoog in diversiteit van sociale contacten. Gecorrigeerd naar opleiding etc. waren de verschillen echter niet noemenswaardig. Je kunt niettemin niet vaststellen dat de sociale netten ertoe leiden dat mensen in steeds kleinere kringen communiceren, hoewel dat nogal eens beweerd wordt.
De kern van het onderzoek betrof de vraag of deelnemers aan sociale media meer of minder sociaal zijn. Deze vraagstelling was het gevolg van publicaties van criticasters dat al die mensen die aan het scherm zo fijn hun sociale media bijhouden in het dagelijks leven bepaald niet bijdragen aan het sociale leven. Pew probeerde dat te boekstaven aan de hand van vragen naar feiten van sociaal gedrag. Hou je vast, want nu volgen de uitkomsten.

Hoeveel vrienden?

Geen wetenschappelijk onderzoek is zo vaak geciteerd in verband met sociale netten als dat van de Brit Robin Dunbar van de University of Oxford. 'Dunbar's number', om precies te zijn 148 (en afgerond 150), is de vermeende grens aan het aantal stabiele sociale relaties; het aantal personen dat je kent, met wie je de relatie goed kunt onderhouden.
Dunbar is antropoloog en kwam het eerst met dat getal, op grond van onderzoek naar groepsgedrag van primaten die collectief het best functioneerden in die omvang. Als voorwaarde geldt volgens Dunbar dat alle deelnemers met overgave tot die kring willen behoren en actief bijdragen. Uit het aapjesonderzoek kwam een wiskundige formule.
Daarop heeft Dunbar er wat geschiedenis bij gehaald. Hij stelde vast dat onder meer neolithische dorpen, Romeinse militaire organisaties en heden ten dage het bedrijfsleven en specialisaties op een universiteit ook gunstig functioneren met een groep van zo'n 150. Dunbar stelt wel als voorwaarde dat de leden dan 40 procent van de tijd aan de groep zouden moeten besteden met sociale inspanning.
Ofschoon andere antropologen op hogere aantallen uitkwamen, tot bijna 300 leden per groep, heeft Dunbar het in de copy-paste-lectuur van het internet uitstekend gedaan. Goncalves en Vespignani deden nader onderzoek met het Getal van Dunbar. Het is te absoluut, vinden ze. Ze stellen vast dat de grens van wat we aan sociale relaties kunnen onderhouden weliswaar ook op internet geldt, maar dat er geen eenvoudige wetmatigheid op iedereen en alle soorten communicatie is vast te stellen. Dat lijkt me een juiste relativering.

Onze ideale Tweede Kamer

Dunbar zou volgens een interview met hem in The Times in 2010 met onderzoek komen naar de toepassing van zijn wetmatigheid op Facebook. Hij vermoedde immers dat je online niet meer sociale relaties goed kunt onderhouden dan in het echte leven. Van dit onderzoek is echter niets meer vernomen. Hij laat desgevraagd weten: "Nee, ik heb niets meer over Facebook gepubliceerd en doe er ook geen onderzoek naar."
Nu heb ik een zwak voor antropologie, maar wat is de werkelijke waarde van het Getal van Dunbar? Onze bekendste gemeenschap telt toevallig 150 leden, en mooier nog, had je het hele gremium echt nodig in de afgelopen jaren dan kwam je nooit verder dan 148, geloof ik. Laat dat nu precies het ideale aantal van Dunbar zijn. De Tweede Kamer als optimale sociale gemeenschap. Need I say more?
Serieus, een paar argumenten tegen Dunbars getal: anders dan aapjes, Papoea's, een commune of zelfs een bedrijf vormen Facebook, en zeker Twitter, geen gemeenschappen. Iedereen heeft immers andere vriendenkringen die elkaar slechts deels overlappen, laat staan dat de leden zich met zorg inzetten voor de instandhouding van die gemeenschap, en al helemaal geen 40 procent van hun tijd. Die club volgers of vrienden interesseert je in feite geen bal. Het merendeel kan doodvallen zonder dat je er een traan om zult laten.

Dunbar contra kritiek

In de gemeenschappen die Dunbar benoemde kun je, behalve van een redelijk besloten geheel, ook spreken van een helder stramien aan tijdsbesteding. Iets dergelijks is met sociaal netwerken totaal niet aan de orde, want er treden grote verschillen op in de intensiteit van het communiceren. Bij Twitter zijn er al gekken met meer dan 100.000 boodschappen, maar anderen uiten zich hooguit eens per week of 'lurken' slechts; alleen kijken wat anderen bieden en of ze zelf genoemd worden. Bij Facebook is niet enkel de frequentie en intensiteit van uiten heel verschillend, het past er zelfs een beperkende selectie op toe in je Nieuwsoverzicht.
Sommigen staan met het geheven vingertje klaar als je over de 100 vrienden gaat, anderen vinden 10 meer dan genoeg, weer anderen vinden 500 mooi. Op zakelijk sociaal net LinkedIn is het heel normaal om meer dan 500 connecties te hebben en Twitter heeft weer een andere structuur en intensiteit. Wetmatigheden zijn niet zo scherp af te bakenen, en hiermee is de toepassing van Dunbar op sociale netten als onzinnig verklaard.
Ik heb het ook Dunbar zelf nog even gevraagd. Die is het oneens met m'n kritiek dat zijn getal als wet noch als vuistregel van veel waarde is: "De grens blijft van toepassing op Facebook. Facebook stelt een maximum van 5.000 vrienden, maar in feite hebben de meeste mensen toch 120 tot 130 vrienden volgens Facebook. Dat zegt toch veel. Ja, sommigen hebben 1.000 of zelfs 5.000 vrienden, maar dat zijn meestal professionele gebruikers zoals journalisten of muziekbands, auteurs etc. die met behulp van Facebook met een schare fans contact onderhouden."
En Twitter dan, geldt daarvoor ook die 150? Dunbar: "Twitter is iets anders, want dat is net als een vuurtoren: het versturen van het signaal en iemand kan het wel of niet oppakken. Echter, sommige Amerikaanse wetenschappers hebben een analyse gemaakt van de wederzijdse uitwisselingen tussen Twittervolgelingen (niet de Twitterpagina van de eigenaar, maar de communicatie) en toonden aan dat deze vrij exact voldoen aan het 'Dunbar Getal'."

Meeste Facebookvrienden hangen erbij

In Economist zei Cameron Marlow, onderzoeker bij Facebook, dat het gemiddeld aantal vrienden (in 2009) 120 was; vrouwen iets meer dan mannen. Twee jaar later meldde Facebook een gemiddelde van 130 vrienden. Het aantal vrienden met intensief contact was echter veel en veel kleiner (in 2009): van gemiddeld 7 bij mannen tot 10 bij vrouwen. Dat had Marlow zelf gemeten aan het aantal personen op wiens uitingen de Facebooker uit die gemiddelde vriendenkring van 120 personen doorgaans reageerde.
Het aantal intieme contacten, voor bijvoorbeeld een regelmatige chat, is nog kleiner: 4 bij mannen tot 6 bij vrouwen. Maar het aardige is: degenen met 500 vrienden op Facebook hebben niet zo bar veel meer contacten met intensief verkeer, zegt Marlow. Mannen geven veelvuldig commentaar bij 17 vrienden, vrouwen bij 26; mannen chatten dan met 10 contacten, vrouwen met 16.
Intensief communiceren is dus zelfs voor fanatieke Facebookers beperkt, in het algemeen dan, want je zult uitschieters hebben die met de hele straat kleppen. Het patroon van beperkte intensieve contacten zie je ook goed op Twitter, alsmede natuurlijk wie de onophoudelijke kletskoppen zijn. Dat is vooral een zaak van 'egocasting', boodschappen zenden in de hoop dat de kijkcijfers en opnieuwe verzendingen (retweet) behoorlijk zijn. Bij Facebook is de zogenaamde interactie, met leukjes en commentaar, belangrijker dan op Twitter. Facebook is persoonlijker, Twitter urgenter.

Kunst met Facebook

Kunstenaars die Facebook zelf tot onderwerp kiezen hebben vaak vervreemding als thema. Ze kritiseren veelal de namaakrealiteit. Boeiend is het filmpje 'Farewell Facebook' van Joep van Osch en Casper Eskes. Het maakt het virtuele reëel, met bijvoorbeeld voortdurend mensen die hun vriendschap aanbieden, die ze vervolgens moeten bevestigen of negeren. Van Osch keert zich in de hoofdrol uiteindelijk af van Facebook.

Hoe kwam hij op dit idee? Van Osch: "Het begon met het verzoek van mijn vader of ik hem op Facebook als vriend wilde erkennen. Het lukte me niet om op 'bevestigen' te klikken, dus bleef dat verzoek maar open staan en kwam steeds weer naar boven als ik naar Facebook ging. Ik vond dat zo merkwaardig en vervreemdend dat ik erover na begon te denken. En hoe meer dat vorderde des te scherper werd het idee voor deze film."

Het is voor de jonge filmmaker niet alleen kunst, maar ook realiteit. Hij ging van Facebook weg, omdat hij merkte dat het sociale net relaties niet verdiept of verbetert, maar hooguit 'opleukt'. Series mensen willen vrienden worden en vanwege goed fatsoen sta je dat toe terwijl ze hooguit kennissen zijn. "Nadat ik me erin verdiept had, vond ik dat mensen op Facebook, ook ikzelf, buitensporig veel bezig zijn met de mening van hun vrienden. Het gaat allemaal om wat anderen van je vinden. Daarom ging ik uiteindelijk weg.”

Joep van Osch mist Facebook alleen vanwege zijn zus die naar Mexico emigreerde en alles wat ze deelt aan foto's en ervaringen via Facebook verspreidt. "Maar ik wil niet terug. Voor je het weet krijg je dat hele gedoe weer over je heen."

Terug van digitaal naar analoog profiel

Ontwerper Jorgen Koolwijk fotografeerde 60 van zijn 251 online vrienden op Facebook en vroeg hen foto's uit privéarchieven van ten minste vijftien jaar oud, handgeschreven verhalen, anekdotes en tekeningen toe te voegen om tot echt persoonlijke beelden te komen. Hij wilde met de dertigers achter de Tijdlijnen nagaan wie ze toen waren, wat ze droomden en wat daarvan is uitgekomen. Het doel was het spanningsveld in beeld te brengen tussen de ideeën, dromen en ambities van het verleden en de realiteit van het heden. Het resultaat werd begin 2012 het boek 'Phasebook' (1985-2011, Behind the screens). De motivatie van Koolwijk, kunstenaarsnaam 'Uncoat':

"Het is tegenwoordig heel simpel en, sterker nog, gebruikelijk om je leven te regisseren. Je digitale leven welteverstaan. Vanachter je computer bepaal je hoe je over wilt komen en maak je je eigen verhaal. De foto's en berichten die geplaatst worden op de sociale media zijn als nieuwtjes: vluchtig en morgen weer vergeten.

Phasebook is een analoge reactie op deze digitale maakbaarheid. Het boek voegt het verleden toe aan de waan van de dag en stelt de vraag: wie was je toen en wat wilde je maken van je leven? Wat is er in de tussentijd gebeurd? En dieper: waar ligt de regie in ons leven? Wie zijn mijn echte vrienden?"

Het aardige van dit project vind ik dat Jorgen Koolwijk laat zien dat dertigers – en jonge veertigers – de illusie hebben dat hun leven maakbaar is. Het is meer nog kritiek op een generatie dan op Facebook, hoewel Facebook goed bij hen past. Het versterkt het idee dat ze hun leven kunnen inrichten zoals ze menen dat het eruit moet zien. De keuzestress die levens bepaalt met de mallemolen van werk, vakantie, vertier. Om het maar even door te trekken: het moet vooral 'leuk' blijven.

Dichter en mede-Utrechtenaar Ingmar Heytze in het voorwoord van Phasebook: "Offline besta je, of je bestaat niet. Online kun je op allerlei manieren bestaan of half bestaan."

The Museum of Me

Chipmaker Intel levert niet aan ons, maar wil door middel van publiciteit toch graag dat we hem kennen. Geslaagd resultaat is The Museum of Me, dat al bijna 900.000 leukjes kreeg en vele miljoenen bezoekers. Het is een app die toegang vraagt tot al je uitingen en vervolgens die foto's, video's en losse teksten in een museum toont in prachtige opstellingen.

Het aardige is, dat als je dit nogmaals doet er weer een andere kunstvorm wordt getoond met diezelfde beelden. Het ziet er gewoon goed gemaakt uit. Ook kan dit angstaanjagend overkomen, maar je kunt er genuanceerd naar kijken. Wellicht argwanend, want des te meer Facebook, des te meer computers er worden gebruikt en verkocht, en dus des te meer Intel verkoopt. Maar los van de argwaan is dit Museum van Mij een leuke vondst om openbaarheid van data vorm te geven.

Asociaal mediagedrag

Nog meer van Intel vanuit de wens om publiciteit te maken: in de zomer van 2011 liet het onderzoek doen naar mobiele etiquette. Zo'n 13.000 personen in Europa en het Midden-Oosten werden bevraagd, onder wie 500 in Nederland.

Geen groter bedrog dan zelfbedrog. Van de Nederlanders meent bijvoorbeeld 54 procent zelf uitstekende tot goede manieren te vertonen met mobiel internet en mobiel bellen, maar slechts 4 procent vindt dat ook van de rest van Nederland zich netjes gedraagt.
Dit grappige beeld trad naar voren in een onderzoek van In dat kader werd ook gevraagd naar de opvatting over onbehoorlijk handelen met sociale media. De uitkomsten voor handelingen die Nederlanders verafschuwen:

Op het account van een ander posten: 62 procent;
Mensen in onflatteuze pose op een foto taggen: 52 procent;
Privé-informatie van een ander publiceren: 50 procent;
Vriendverzoeken sturen aan onbekende: 49 procent;
Slechte spelling en grammatica: 39 procent;
Tag van iemand plaatsen zonder toestemming: 39 procent;
Niet reageren op een bericht of uiting: 26 procent;
Een vriendverzoek negeren: 22 procent;
Huisdier- of kinderfoto voor je profiel: 15 procent;
Traag antwoorden op een bericht: 9 procent.

Opvallend voor Nederland is de relatief grote afkeer van openbaar gebruik van mobiele apparatuur: zo'n 40 procent van de 35-plussers oplopend tot 55 procent van de 55-plussers heeft hier een hekel aan. Ook voelen ze zelf de nodige schaamte om smartphones etc. in het openbaar te gebruiken, van de 55-plussers zelfs 74 procent. Ik weet niet of de vraagstelling van Intel goed overkwam, want ik zie jong en oud frequent in het openbaar met apparatuur stoeien en heb nog nooit van iemand gehoord dat die zich daarvoor schaamde.

Hoe hoort het eigenlijk?

Amy Groskamp-Ten Have stelde in haar beruchte 'Hoe hoort het eigenlijk?': "Telefoneren: Zij die zich bevinden in een kamer waar iemand telefoneert, dienen uit bescheidenheid dit vertrek te verlaten." Jawel, 1939 (misschien een jaar dat qua perspectieven lijkt op 2012, maar daar gaat het niet over). De telefoon zat aan een draadje uit de muur. Je kon niet weglopen. Zou de regel van Amy Groskamp nu anders geweest zijn: als je telefoon krijgt is het fatsoenlijk om de ruimte met anderen even te verlaten?

Wel haalbaar is: geen mobiel internet, dus ook niet even facebooken, als je met personen converseert. Het is persoonlijk: jongeren maken zich veel minder druk om gebruik van apparatuur in gezelschap dan ouderen. In deze zin behoor ik tot de stamoudsten, want ik vind de term 'onbeschoft' van toepassing. Zeker bij gebruik van Facebook, want je geeft dan aan dat je degenen op het scherm belangrijker vindt dan degene met wie je verblijft. Misschien gaan we nog meemaken dat dit normaal wordt, in het kader van de afschaffing van (politiek) correct gedrag.

Gek genoeg is de laptop die met zakelijk gebruik wordt geassocieerd beter geaccepteerd dan de tablet of mobiel, waarvan het gebruik eerder de verdenking oproept van privédoeleinden zoals facebooken. Zakelijk kun je afspreken om tijdens bijeenkomsten geen apparatuur te gebruiken, privé ook. Een goede gewoonte is geen mobiele apparatuur aan tafel, maar volgens de panelleden in een discussie in Amsterdam, geëntameerd door dat onderzoek van Intel, is apparatuur gedurende het ontbijt wel acceptabel. Bij het gezamenlijke diner vinden ze van niet. Nog niet althans, want je weet van gekkigheid niet wat mensen als normaal gaan beschouwen. De regel 'niet in de huiskamer' kan tegenwoordig niet meer.

Het is niet eenvoudig om fysiek contact in gezelschap in privékring belangrijker te verklaren dan die dingen. Voor je het weet zitten je kinderen vooral op de slaapkamer omdat ze wel altijd moeten pingen, ofschoon ook hun moeders en vaders (socialemedia-expert Erwin Blom: 'ik ben verslaafd aan Twitter, + 100.000 tweets inmiddels') de verleiding te groot vinden worden.

De tendens van de discussie was: we lossen het samen wel op en alsjeblieft geen betutteling met regeltjes. Maar toen er wat omgangsregels voor het voetlicht kwamen, was er toch bescheiden instemming: wellicht is het zo gek nog niet om iets van fatsoen of wellevendheid als principes te hanteren in de omgang met apparatuur.

Zolang het duurt, want technisch gezien zal de apparatuur meer en meer een verlengstuk van personen worden en daarmee zal de onmisbaarheid in de omgang toenemen; tot het ding een implantaat wordt. Dan is het gebruiksprobleem letterlijk verinnerlijkt.

Feestdag voor pedo's

Zieken organiseren zich openlijk, pedofielen zoeken hun toevlucht tot de gesloten groepen op Facebook. Zijn ze eenmaal veroordeeld, dan zorgt de samenleving voor hun 'sociale media'. In oktober 2011 zette de staat New York haar pedofielenzoeker ook op Facebook. Deze aankondiging op zich riep direct de suggestie op dat veroordeelde pedofielen beter snel konden maken dat ze met hun eigen naam en adres wegkwamen op Facebook.

Maar nee, het is (nog) geen 'app' die op Facebook zelf de pedo's opspoort en in beeld brengt, maar de reeds bestaande Sex Offender Locator op de site van de Criminal Justice Servicesafdeling van de staat New York. Daar kan, net als nu op Facebook, op achternaam, gebied of postcode gezocht worden waarna een lijst met namen van zedendelinquenten verschijnt. Wie op de naam klikt, komt uit bij het register van de staat New York waar voor het gemak ook de foto's staan, plus de redenen van de veroordelingen.

"Met Halloween voor de deur hebben ouders nu een andere tool om erachter te komen waar zedendelinquenten wonen, waardoor ze ervoor kunnen zorgen dat hun kinderen uit de buurt van deze locaties blijven", zei een politiechef in het persbericht. De feestelijke mededeling betreft 33.000 veroordeelden. Dat is enorm veel, mede een gevolg van veroordelingen wegens tienerseks, dat in de VS als pedofilie geldt. Van dit aantal zijn er echter 12.500 met een 'verhoogd risico', dus pedofielen met recidiverisico.

Conclusie: sociaal onderzoek positief over Facebook

Dit hele hoofdstuk van onderzoek naar sociaal gedrag overziend, beklijft vooral het geheel van positieve resultaten. Of het nu gaat om sociale omgang, deelname aan de maatschappij, invloed op de werkplek of vorming en initiatief nemen op sociale netten door jongeren, de positieve resultaten overheersen. De laatste paragraaf maakt daarop een duidelijke uitzondering: het is niet alles leuk wat er blinkt.

Ook zijn er essentiële meningsverschillen, bijvoorbeeld over de vraag hoe sociale media zich verhouden tot de deelname aan het politieke debat. Uit de VS komen zeer positieve berichten, maar die worden niet onderschreven door onderzoek in Nederland.

Je kunt stellen dat Facebook effectiever wordt voor sociale ondersteuning naarmate het om duidelijker afgebakende groepen gaat. Voor massale bewegingen, zoals in de topsport of met grote politieke partijen en kandidaten, is de onderlinge band die met sociale media wordt beoogd lang niet zo krachtig als met studenten-, patiënten-, sport- en hobbyverenigingen met overzichtelijke kringen.

Hier en daar houdt de onderzoeksmethode niet over, en over het algemeen wordt er te veel geënquêteerd en te weinig gedrag gemeten. Wat dat betreft zou Facebook zelf ook het nodige kunnen bijdragen; daarop kom ik in het slot nog terug.

Bovenal heb je van doen met mensen die niet opgegroeid zijn met sociale media. Als de eerste generatie die niet beter weet dan alomtegenwoordige en continu gebruikte sociale media, zullen we wellicht meer nieuwe vormen van gedrag kunnen zien. 

 

 

Lees meer

Graag kort en bondig. Kwetsende, discriminerende en/of commerciële uitlatingen worden verwijderd.
 

Registreren en de nieuwsbrief ontvangen?

We gaan zorgvuldig met je gegevens om. Je krijgt ook gelijk toegang tot alle plusartikelen en je kunt reageren op de artikelen.

Controleer nu je e-mail

Je ontvangt een bericht met instructies om je e-mailadres te bevestigen. Zonder deze bevestiging sturen we je geen nieuwsbrief, doe het dus gelijk even!

asdas sdf fs dfsdfsf sdffsd

Netkwesties © 1999/2018. Alle rechten voorbehouden. Privacyverklaring

Ehio Media content marketing
1
0
1