Veel geld voor ambitieus Wikiwijs

Met zo'n 8 miljoen euro wil de overheid een platform voor publicatie en uitwisseling van, en communicatie over digitaal leermateriaal opzetten. Wikiwijs ging afgelopen week 'live'. Gaat het werken?

Met het Wikiwijs platform ontwikkelen docenten van het basis- tot universitair onderwijs zelf origineel lesmateriaal en andere docenten vullen het materiaal aan en corrigeren het. Zo delen zij hun expertise en inzichten.

Docenten kunnen zelf hun lesmateriaal samenstellen uit inmiddels bijna één miljoen items, meestal beknopte modules of oefeningen, maar soms ook al volledige lesmethoden en leerlijnen.

"Het vergroot de kwaliteit van het onderwijs doordat docenten hun kennis delen en aanscherpen. Internationaal is er veel belangstelling voor deze werkwijze. Dat laat zien dat we goed op weg zijn", liet staatssecretaris van Onderwijs Marja van Bijsterveldt optekenen in het persbericht. Na twee keer lezen van dit citaat behoeft het geen nadere uitleg. Met andere woorden: we springen in een zwart gat.

Zoals gebruikelijk in het onderwijs is ook met Wikiwijs de theoretische onderbouwing van het concept zo breed en diep mogelijk. Aan woorden en goede bedoelingen geen gebrek in alle stukken zoals het Programmaplan 2009-2011. Samengevat: "De kern van Wikiwijs is dat docenten open digitaal leermateriaal ontwikkelen, bewerken, verbeteren en actualiseren, en daarmee kwalitatief hoogwaardig lesmateriaal tot stand brengen. Wikiwijs brengt alle docenten samen die nu – vaak nog alleen voor hun eigen lessen – materiaal verrijken en verbeteren. Wikiwijs maakt het mogelijk die energie en creativiteit te bundelen, zodat gezamenlijk de kwaliteit van het lesmateriaal wordt verbeterd en ontsloten voor het hele onderwijs."

Docenten opporren

De praktijk van onderwijsvernieuwing is echter weerbarstig gebleken in de afgelopen decennia, een gevolg van de bureaucratische anti-innovatie structuur waarin het onderwijs gevangen zit. Bovendien is er nog een wereld te winnen. Zo blijkt uit de Nulmeting van Wikiwijs dat in het Havo en VWO onderwijs maar 2 procent van de leraren digitaal materiaal maakt. Op basisscholen, VMBO en MBO is dit 7 procent. Dat is weinig en de vraag is of de makers dat met die andere ruim 90 procent willen delen en of die het materiaal vertrouwt, wil aanvullen en kan toepassen in de praktijk. Er is enerzijds 'sociale druk' nodig om docenten in Wikiwijs te laten investeren en anderzijds hun eigen inzicht dat een investering nu straks tijd en inspanning besparen.

Vandaar dat 'professionaliseren' de eerste doelstelling is die Ronald Huizer noemt als hem wordt gevraagd naar de stappen op weg naar het daadwerkelijk gebruik van Wikiwijs: "Docenten moeten worden gefaciliteerd voor hun taak door ze te laten groeien in vaardigheden en concepten. Dan kan de kwaliteit toenemen en het beroep van docent aantrekkelijker worden."

Maar hoe werkt dat in de praktijk? Huizer: "We hebben focusscholen die we groeperen en die veel materiaal delen en hun vaardigheden verbeteren. Dit doen we met de docenten in de scholen en samen met de landelijke pedagogische centra KPC, APS en CPS. We zijn er net mee begonnen maar de animo is groot."

Het is mooi dat er 1 miljoen items beschikbaar staan, maar zo'n kwantiteit lijkt funest voor een kwalitatieve beoordeling en selectie door docenten. Is er een systeem om het goede boven te laten drijven? Huizer: "Inderdaad zijn social tagging en reputatiemanagement erg belangrijk voor systemen als Wikiwijs om er waarde door gebruikers aan te laten toevoegen. Er is een sociaal platform voor de bewerking van materiaal. Docenten zullen elkaar gaan tippen en hun bijdragen gaan leveren aan het materiaal dat hen boeit."

Er moet nog veel meer content bijkomen, dat wil zeggen dat bestaande 'collecties' van leermateriaal worden ontsloten. "We spotten voortdurend collecties en treden in overleg om die vervolgens te ontsluiten. Een goed voorbeeld is de Freudenthal-collectie met belangrijk wiskundemateriaal."

Wikiwijs betaalt niet voor content, maar bevat wel verwijzingen naar gesloten content die tegen betaling toegankelijk is. Er zijn dus ook mogelijkheden voor uitgevers. Voor hen kan Wikiwijs een bedreiging vormen als gesubsidieerd platform waarmee docenten hun afhankelijkheid van uitgevers collectief verminderen. Wikiwijs doet zijn best om dat beeld te weerspreken. "Uitgevers zijn positief en constructief en staan open voor Wikiwijs. Ik weet zeker dat dit een succesvolle mix van gesloten en open content zal worden die ook voor uitgevers kansen biedt", beweert Huizer.

Nieuwe vormen

Het onderwijs is qua vormen en methoden grotendeels in de vorige eeuw blijven hangen. Zoals professor Valerie Frissen in School's on forever (naar School's out) schrijft: "Ook voor de meeste onderwijsinstellingen geldt dat er een grote discrepantie bestaat tussen wat binnen de schoolmuren mogelijk is en wat in de privésfeer. In de nabije toekomst zal deze discrepantie steeds meer problemen gaan opleveren."

Ze verwacht dat behalve leerlingen ook jonge docenten, voor zover die er nog komen, niet meer accepteren dat zij moeten werken met oude apparatuur en ouderwetse content. "Content die door uitgevers op de markt wordt gebracht wier voornaamste drijfveer is om zoveel mogelijk bij het oude te laten." Dat terwijl er programma's als Google Maps en Earth zijn met 'mash up' methoden die haaks staan op het lineaire onderwijs uit boeken zoals dat nog de boventoon voert.

Digitalisering vereist de verandering van de fundamenten van het onderwijs zelf. De vraag is of Wikiwijs daarbij helpt of zal moeten voortmodderen met die fundamenten. Frissen: "De mogelijkheden die ict aan gebruikers biedt leiden tot radicale emancipatie van die gebruikers. Daarmee gaan de nette grenzen van weleer tussen functies, rollen en taakopvattingen verschuiven en wordt er geknaagd aan de fundamenten van het systeem."

Experts, dus docenten, schrijft Frissen, worden niet zonder meer als zodanig meer herkend en erkend. Ze staan nog wel centraal in Wikiwijs. Maar Wikiwijs maakt het ook mogelijk dat digitaal vaardige docenten hun ontwikkelwerk met leerlingen uitvoeren en de aanvullingen en verbeteringen weer publiceren.

Frissen ziet grote mogelijkheden voor Wikiwijs en noemt ook de digitale portfolio's als goed voorbeeld van nieuwe methoden: "De regie over de portfolio ligt in deze definitie principieel bij de lerende zelf, die immers voor een belangrijk deel zelf verantwoordelijk is voor zijn ‘levenslange’ leercarrière en de sturing van het eigen leerproces."

Frissen noemt behalve de noodzakelijke technologische en pedagogische innovatie ook de organisatorische innovatie en theoretiseert: "Het open karakter van web 2.0 zet de deuren van de school naar buiten steeds meer open. Daardoor worden instellingen meer transparant, toegankelijk, flexibel en dynamisch. Samenwerking met anderen wordt makkelijker over de traditionele grenzen van de organisatie en zelfs de sector heen."

Veel geld

Wikiwijs werd in 2008 gelanceerd door toenmalig minister Plasterk (PvdA) van Onderwijs. Na zijn aanvankelijke investering van 4 miljoen euro pompte minister Maria van der Hoeven er afgelopen voorjaar nog eens 3,8 miljoen euro in het kader van slimme ict-toepassingen van verschillende ministeries voor totaal 31 miljoen euro

Van de 4 miljoen euro die tot eind dit jaar nodig is, gaat - afgerond naar:

  • Ontsluiting leermiddelen: 1,2 miljoen
  • Content: 500.000 euro
  • Communicatie: 750.000 euro
  • Professionalisering: 600.000 euro
  • Management: 500.000
  • Communities: 250.000

 

Via het ministerie van OC&W ontvingen we de Begroting van Wikiwijs 2009-2011. Daarin lezen we dat er een externe Programmamanager is opgevoerd voor de eerste twee fases van Wikiwijs, voor ruim 1.400 euro per dag of ruim 100.000 euro. 'Materiaal' voor communicatie en de externe inhuur voor de ontsluiting van content vormen opvallend dure posten, beide van meer dan een half miljoen euro.

EZ heeft het stokje overgenomen met opnieuw een kleine 4 miljoen euro voor de komende jaren. Daarmee wordt dit financieel een 'top-down' te sturen project waarbij men niet langer afwachtend is zoals bij pure 'bottom-up' projecten. Gebruikers hebben invloed met de Gebruikersadviesgroep. Bovendien poogt Wikiwijs te werken met User Centered Design: "het centraal stellen van de behoeften, wensen en mogelijkheden van gebruikers bij ieder onderdeel van het ontwerpproces; om systemen te creëren die begrijpelijk, voorspelbaar en beheersbaar zijn."

In de praktijk blijkt de opbouw van communities altijd een precair evenwicht te vereisen tussen sturing en vrijwilligheid. Te veel sturing verlamt de eigen bijdragen en te veel afhankelijkheid van vrijwillige bijdragen gaat ten koste van de kwaliteit en het imago. Bovendien is de vraag of uitgevers hun kans zien om vanuit Wikiwijs nieuwe modellen te ontwikkelen waarin ze docenten die goed materiaal produceren en bijdragen vervolgens tegen betaling kunnen aantrekken en wegtrekken uit de Wikiwijs-omgeving. Maar bovenal: kunnen een tempo en een elan worden bereikt die noodzakelijk zijn voor enthousiasme en een hoog tempo van veranderingen?

Een voorbeeld is vanuit de VS al sinds 1999 Connexions van Richard Baraniuk van de Rice University in Houston, die in Nederland uitgebreid sprak over zijn 'revolutie' van open educatie, het strategische doel dat Wikiwijs ook hoopt te halen. Hij vergelijkt de volgens hem open wereld van muziek met de gesloten onderwijswereld. Zal de Nederlandse onderwijsrevolutie, die velen als noodzakelijk zien om de desinteresse en het afhaken van nog grotere aantallen leerlingen te voorkomen, van onderaf komen en van bovenaf gestuurd worden? Wikiwijs zal het antwoord geven, of niet...

Gepubliceerd

6 sep 2010

Wat vinden de experts?

Annemarie Sprokkereef
6 sep 2010
Annemarie Sprokkereef
Wil om te delen bepaalt het succes

Natuurlijk zijn het voor educatieve uitgevers uitdagende tijden. In rap tempo moeten deze uitgevers een antwoord vinden op de vraag hoe hun materialen zich verhouden tot wat beschikbaar komt via internet en hoe bedreigend dit is voor hun producten.

Maar naast de moeilijk te beïnvloeden ontwikkelingen op internet is er de digitalisering van het gedrukte woord. Uitgevers moeten zichzelf opnieuw uitvinden. Allereerst moeten ze keuzes maken ten aanzien van hun eigen aanbod:

1. in hoeverre kunnen en moeten educatieve materialen gedigitaliseerd worden?

2. wat kan er geleerd worden van de productie en marketing situatie van het e-book?

Het staat vast dat educatieve uitgevers voortdurend aanpassingen zullen moeten plegen om de verkoopbaarheid van hun papieren en digitale leermiddelen in stand te houden.

Afgelopen week kwam Wikiwijs in het nieuws, een in 2008 door minister Plaskerk gelanceerd en voor iedereen gratis toegankelijk, digitaal samenwerkingsproject. Het wikiwijsplatform bevat inmiddels meer dan 1 miljoen door docenten aangebrachte leermiddelen.

Hoe goed deze leermiddelen zijn en of de controle op de kwaliteit en de inhoud kan worden overgelaten aan de kritische lezers is nog niet aan de orde geweest.

Ook het feit dat de site geen onderscheid maakt tussen student/leerling en docent toegang tot de leermiddelen lijkt werkt enigszins beperkend te werken. De site is aan veranderingen onderhevig, het te bereiken onderwijspubliek uitgebreid (nu ook hoger onderwijs), de zoekfuncties verbeterd, en links met sociale media vergroot.

In die zin is het is belangrijk om vast te stellen dat het Wikiwijs platform niet het enige forum is waarop de hedendaagse docent digitaal lesmateriaal kan deponeren en uitwisselen. Er zijn ook andere landelijke fora zoals Digischool.nl. In de praktijk blijkt het knelpunt bij deze grote gemeenschappen toch vaak te liggen in dat gebruikers minder geneigd zijn om te delen dan om te nemen.

Dat neiging om zelf ontwikkelde materialen te delen wordt groter als het platform gedeeld wordt met bekenden. In die zin lijkt er een gezondere toekomst weggelegd voor door scholen georganiseerde leer- en deel- platformen. De trend is dan ook dat scholen individueel, of in en samenwerkingsverband binnen hun scholengroep, een digitale leeromgeving voor leerlingen en docenten aan het opbouwen zijn. Deze intranet gemeenschappen richten zich ook efficiëntere manieren van materiaal ontwikkeling: het delen van informatie en het voorkomen van duplicatie.

“If you cannot beat them join them” is een voor de hand liggende reactie uit het uitgeverswezen. Je kunt dan spreken over infiltratie van uitgevers in de niet commerciële 'commons' of van een wisselwerking tussen commerciële en niet-commerciële vormen van aanbieding van lesmateriaal.

Verwijzingen naar betaalde content op algemeen toegankelijke sites als Wikiwijs zijn een goed voorbeeld van het laatste. Zichtbaar worden op sites als Wikiwijs werkt het beste als de door de educatieve uitgever aangeboden producten te combineren zijn met wat door groepen mensen wordt ingebracht op een internet platform.

Voorlopig zie ik geen enkele reden tot ingrijpen. Neem een vak als maatschappijleer: papieren boeken komen met voorbeelden die binnen een jaar alweer ingehaald worden door de actualiteit. Natuurlijk worden leerlingen eerder geboeid door ontwikkelingen waar ze zelf midden in staan.

De uitgever die zijn boek zo weet inrichten dat er wisselwerking tussen actualiteit (op internet) en het boek plaats kan vinden zal de verkoopbaarheid van boek materiaal positief beïnvloeden én de lespraktijk van alledag kunnen helpen verbeteren.

Francien Dechesne
6 sep 2010
Bijdragers belonen in een reputatiesysteem

Leerlingen en docenten hebben groeiende behoefte aan een variatie in lesmaterialen en -vormen, die bovendien goed aan te passen zijn aan de eigen situatie. Internet maakt het heel goed mogelijk om 'het standaardboek' aan te vullen met bijvoorbeeld beeldmateriaal of interactieve opdrachten. Wikiwijs beoogt door middel van -gecontroleerde- inzet van 'crowd sourcing' onder professionele docenten in deze behoefte te voorzien.

Als docent (in het hoger onderwijs) zie ik hier zeker de meerwaarde van. Met de beperkte voorbereidingstijd die docenten ter beschikking hebben, afgezet tegen de schier eindeloze zoekruimte die het internet biedt, is een speciaal voor het doel opgezette en goed beheerde vindplaats voor materiaal van collega's een uitkomst.

De drempel om eens iets anders uit te proberen wordt een stuk lager, als het inderdaad eenvoudiger is om iets geschikts te vinden. Ook wordt de drempel verlaagd om zelf materiaal te ontwikkelen: het feit dat je product ook door anderen gebruikt kan worden, maakt het de (toch niet geringe) moeite van ontwikkeling waard.

Dit alles ervan uitgaand dat de site op een goede manier ingericht en beheerd wordt. Laat ik voorop stellen dat ik niet weet hoe het beheer van Wikiwijs precies is ingericht. Een zoekopdracht na voorsorteren op tab <A HREF="http://www.wikiwijs.nl/sector/ho/home.psml" target=_blank">Hoger Onderwijs</A>, stuurt mij meteen door naar een andere repository: <A HREF="http://www.lorenet.nl/nl/page/luzi/show?offset=0&query=lore" target=_blank">LORE</A> (Learning Objects REpository), reeds in september 2007 gelanceerd, maar met in de rubriek <A HREF="http://www.lorenet.nl/nl/page/page.view/nieuws.page" target=_blank">Nieuws</A> geen berichten na april 2008. Zoekend op de term 'logica', vind ik in LORE een voor mij moeilijk als "logisch" te duiden verzameling van (vaak niet werkende) links naar TV-programma's en teksten.

LORE had hetzelfde doel als Wikiwijs, maar dan specifiek voor het hoger onderwijs. Kennelijk is het daarin niet geslaagd. Dit zet aan het denken.

Of een expertsite bruikbaar en houdbaar is, hangt af van de vindbaarheid en beoordeelbaarheid van de inhoud. De vindbaarheid hangt o.a. samen met de adequate vaststelling en onderhoud van tags en categorieën. Een succesvolle site als <A HREF="http://www.stackoverflow.com" target=_blank">Stackoverflow.com</A>
(voor programmeurs) leert ook hoe functioneel een reputatiesysteem kan zijn.

Een dergelijk systeem kan namelijk tegelijk zorgen dat de kwaliteit en geschiktheid van het gevonden materiaal door een zoeker snel in te schatten zijn, *en* belonen dat mensen zich inspannen voor de kwaliteit van inhoud en voor het beheer ervan. Dit voorkomt dat de site onbruikbaar wordt naarmate deze groeit. Inzichten over de succesvolle opzet van een expertsite zijn nog volop in ontwikkeling.

Blijkbaar is hiervoor bij LORE onvoldoende aandacht geweest (een geval van remmende voorsprong?). Overigens levert mijn zoekterm 'logica' op Wikiwijs wel een aantal interessante materialen op, ook voor hoger onderwijs. Het is daarom jammer dat LORE nu direct gekoppeld is aan de tab 'Hoger Onderwijs' in Wikiwijs, terwijl het een dood spoor is in vergelijking met Wikiwijs zelf.

Het zou onterecht zijn als uitgevers Wikiwijs als bedreiging zouden zien, en zouden bevechten. De ontwikkeling dat docenten hun lesmateriaal zelf samenstellen met op het web gevonden materiaal, en lesmaterialen zelf beschikbaar stellen op het web, is nu eenmaal een feit.

De minister van Onderwijs was hier kennelijk ook van overtuigd. Wikiwijs maakt deze bestaande gang van zaken gemakkelijker, betrouwbaarder en beheersbaarder. De uitgevers zouden er goed aan doen na te denken welke constructieve rol ze in deze ontwikkeling kunnen spelen.
 

Netkwesties
Netkwesties is een webuitgave over internet, ict, media en samenleving met achtergrondartikelen, beschouwingen, columns en commentaren van een panel van deskundigen.
Colofon Nieuwsbrief RSS Feed Twitter

Nieuwsbrief ontvangen?

De Netkwesties nieuwsbrief bevat boeiende achtergrondartikelen, beschouwingen, columns en commentaren van een panel van deskundigen o.g.v. internet, ict, media en samenleving.

De nieuwsbrief is gratis. We gaan zorgvuldig met je gegevens om, we sturen nooit spam.

Abonneren Preview bekijken?

Netkwesties © 1999/2024. Alle rechten voorbehouden. Privacyverklaring

1
0