Hoe groot de strijd om aandacht van jongeren is geworden werd vorige week opnieuw duidelijk. Meta schikt voor miljarden in de VS, waar bijna dertig staten het techbedrijf ervan beschuldigden jongeren bewust verslaafd te maken. Meta belooft Facebook en Instagram aan te passen: minder eindeloos scrollen, gebruikslimieten voor kinderen en geen pushmeldingen meer tijdens schooluren.
Een urgente stap, maar de zaak roept een belangrijkere vraag op: hoe willen we dat de digitale omgeving waarin jongeren opgroeien eruitziet? Wereldwijd zoeken overheden naar manieren om jongeren beter te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van sociale media. Australië verbiedt socialemedia-accounts voor jongeren onder de zestien. Frankrijk wilde sociale media onder de vijftien verbieden, maar zag die wet onlangs stranden bij de Constitutionele Raad. Denemarken, Spanje en Nieuw-Zeeland overwegen eveneens leeftijdsgrenzen. Ook in Nederland klinkt de roep om jongeren online beter te beschermen.
Maar daarmee leggen we de nadruk te veel op het verbieden. Veel minder gaat het over de digitale omgeving zelf. Waarom zouden we alleen proberen jongeren te beschermen, als we hun digitale omgeving ook gezonder kunnen inrichten?
Technologiebedrijven hebben de krachtigste instrumenten ontwikkeld om menselijk gedrag te beïnvloeden: de algoritmen van sociale media. De Amerikaanse arts en medisch adviseur Vivek Murthy pleit ervoor om sociale media te voorzien van waarschuwingen zoals op sigarettenpakjes, om ouders en jongeren te wijzen op mogelijke risico’s voor de mentale gezondheid. Vanuit die vergelijking is zo’n verbod logisch: als iets verslavend is, moeten we de toegang beperken.
Die vergelijking gaat volgens ons slechts deels op. Sociale media zijn niet louter schadelijk. Een lhbtq+-jongere kan via sociale media bijvoorbeeld een gemeenschap vinden die in de fysieke omgeving misschien ontbreekt. Jongeren vinden er lotgenoten, onderhouden vriendschappen en ontdekken gemeenschappen.
Fastfoodrestaurants
Sociale media moeten we niet zien als een product dat we consumeren, maar als een leefomgeving waarin we steeds meer tijd doorbrengen. Vergelijk het met een stad. Daar zijn fastfoodrestaurants en markten, casino’s en bibliotheken, cafés en parken. Maar we sluiten een stad toch niet vanwege de fastfood en gokpaleizen?
Het algoritme is in deze vergelijking de stadsplanner die bepaalt welke straten we nemen, wat we onderweg tegenkomen en waar we blijven hangen. Alleen kan deze digitale stadsplanner iets wat in de fysieke wereld (nog) niet gebeurt: hij observeert voortdurend wat iedere inwoner doet en richt de stad voor ieder individu opnieuw in.
Het probleem is niet de enorme kracht van algoritmen maar hoe technologiebedrijven deze inzetten: onze aandacht zo lang mogelijk vasthouden. De miljardenschikking met Meta laat zien dat de discussie moet verschuiven van de vraag óf platforms verantwoordelijk zijn naar de vraag hóé zij die omgeving zouden moeten ontwerpen. Een algoritme heeft immers geen ingebouwde voorkeur voor eindeloos scrollen. Technologiebedrijven optimaliseren het zo.
Europa probeert die macht met de Digital Services Act te reguleren. Platforms moeten risico’s voor gebruikers, en in het bijzonder minderjarigen, beperken en ze minder verslavend maken. Maar waarom louter verminderen van schade? Een algoritme kan ook sociale verbinding stimuleren, wandelen en sporten in de natuur en gezond gedrag ondersteunen. Helpen de stap van online naar offline te zetten. Technologiebedrijven doen dit nauwelijks, om commerciële redenen. Maximale digitale aandacht levert miljarden op.
Algoritmen worden bevestigd wanneer iemand blijft kijken, klikken en terugkomen. Daardoor wint inhoud die onze aandacht vasthoudt het gemakkelijk van inhoud die misschien beter voor ons is. Een gezondere digitale omgeving vraagt niet om andere filmpjes, maar om andere doelen. Neem een jongere die midden in de nacht steeds scrolt. Een algoritme dat uitsluitend op commerciële aandacht gericht is, maakt daar geen einde aan. Een systeem waarin ook welzijn meeweegt, wel.
Chatbots als emotionele steun
Hetzelfde geldt voor AI-chatbots die jongeren in toenemende mate raadplegen als bron voor emotionele steun. Een chatbot die wordt afgerekend op bevestiging en gespreksduur, wordt beloond voor gedrag dat het gesprek gaande houdt. Maar soms moet een chatbot tegenspreken, een andere blik bieden of zeggen: leg je telefoon weg en bel een vriend of zoek iemand op die je vertrouwt.
Hier ligt een duidelijke opdracht voor Europa. De EU heeft de macht om technologiebedrijven kwaliteitsnormen aan de digitale omgeving voor jongeren op te leggen. Normen die algoritmen gezond gedrag, welzijn, diversiteit, inclusiviteit en rechtvaardigheid laten bevorderen. Laat platforms expliciet verantwoorden welk doel hun algoritmen dienen en hoe hun ontwerp bijdraagt aan het welzijn van gebruikers.
We stellen daarom de verkeerde vraag. Niet: hoe beschermen we jongeren beter tegen algoritmen? Maar: wat willen we dat algoritmen voor jongeren doen? Als het algoritme inderdaad de ‘stadsplanner van onze digitale leefomgeving’ is, moet de EU van technologiebedrijven eisen dat die stadsplanner niet het belang dient om jongeren zo lang mogelijk online binnen te houden. Een gezonde digitale omgeving is juist geslaagd als we ons vrij voelen en besluiten die omgeving weer te verlaten.
*) Hedda van 't Land is lector Gezonde Leefomgeving aan Aeres Hogeschool. Vittorio Busato is psycholoog, auteur en journalist. Een versie van dit artikel verscheen eerst bij NRC
**) Photo by Sixteen Miles Out on Unsplash