Een argeloze lezer zou daaruit gemakkelijk kunnen concluderen dat een chatbot het onderwerp heeft bedacht, het onderzoek uitgevoerd, het artikel geschreven en er namens mij mijn naam onder zette. Dat was uiteraard niet het geval.
Zoals inmiddels vrijwel iedere schrijver gebruikte ik kunstmatige intelligentie tijdens het onderzoeksproces, om bronnen te vergelijken en om argumenten aan te scherpen. Bovendien zet ik AI in om de eigen eindredactie te ondersteunen.
De analyse, de keuzes en de verantwoordelijkheid in dit commentaar waren volledig de mijne. Sterker nog, nadat Peter zelf de tekst nog had geredigeerd, bleef dezelfde detector blijkbaar volhouden dat het artikel volledig door AI was geschreven. Dat zegt misschien minder over mijn werkwijze dan over de pretenties van een inmiddels snelgroeiende industrie die beweert uit een eindtekst te kunnen afleiden hoe die tot stand is gekomen.
Opiniebijdragen met AI
Die gedachte kwam onmiddellijk weer bij mij op toen AI Report onderzoek publiceerde waaruit zou blijken dat een aanzienlijk deel van de ingezonden opiniestukken in Nederlandse kranten met behulp van AI is geschreven. NRC publiceerde als enige geen enkel met AI vervaardigd artikel, althans volgens de detectie. De andere hoofdredacteuren reageerden ongemakkelijk, al menen Perry Feenstra van het FD en Lucas Brouwers van NRC dat AI misschien juist mensen met waardevolle ideeën helpt die minder vaardig zijn in schrijven en daardoor anders nooit aan het publieke debat zouden deelnemen.
Juist dat laatste maakt deze discussie zo interessant. Vrijwel alle aandacht gaat uit naar de vraag óf AI is gebruikt, terwijl nauwelijks iemand zich afvraagt of het uiteindelijke artikel daardoor beter of slechter is geworden. Alsof het gebruik van een hulpmiddel op zichzelf belangrijker is dan de kwaliteit van het resultaat. Daarmee dreigt de journalistiek precies de verkeerde discussie te voeren.
Detectors niet betrouwbaar
De afgelopen jaren is een kat-muis spel ontstaan, met detectiemiddelen als Pangram, GPTZero, TextGuard, Grammarly AI Detector, HumanizeAI, Humalingo. Tegelijkertijd groeit aanbod van zogenaamde AI-humanizers die teksten net voldoende aanpassen om dezelfde detectoren te misleiden. De ene partij ontwikkelt steeds slimmere detectie, de andere steeds betere camouflage; een klassieke technologische wapenwedloop met actie en reactie. Een aantal van de eerder genoemde bedrijven doet al beide…
Opmerkelijk genoeg is dat precies de ontwikkeling waarvoor het Massachusetts Institute of Technology waarschuwt. In richtlijnen over verantwoord AI-gebruik adviseert MIT docenten om niet op AI-detectors te vertrouwen. Niet alleen omdat de huidige generatie detectoren een aanzienlijke foutmarge kent, maar vooral omdat zij een wedloop creëert waarin gebruikers steeds betere AI-humanizers inzetten om detectie te omzeilen. Volgens MIT levert dat uiteindelijk veel inspanning aan beide kanten op zonder dat iemand er werkelijk beter van wordt.
Nog belangrijker is misschien de constatering dat detectoren ook menselijke teksten ten onrechte als AI kunnen classificeren, met alle gevolgen van dien. Dat risico is extra groot voor mensen die het Engels niet als moedertaal spreken of voor schrijvers met een afwijkende schrijfstijl. De universiteit waarschuwt bovendien dat een cultuur van voortdurende AI-controle onvermijdelijk leidt tot wantrouwen tussen docenten en studenten.
Juist positief inzetten
Die aanbevelingen vind ik minstens zo relevant voor de journalistiek als voor de academica. Journalisten slaan elkaar om de oren met AI-beschuldigingen, terwijl nauwelijks wordt stilgestaan bij de vraag hoe kunstmatige intelligentie juist kan bijdragen aan betere journalistiek.
AI-detectors leveren geen bewijs, maar zij analyseren statistische kenmerken van een tekst, zoals woordgebruik, zinsstructuur, voorspelbaarheid van taal en grammaticale patronen, en vergelijken die met enorme verzamelingen menselijke en door AI geschreven teksten. Op basis daarvan berekenen zij hoe waarschijnlijk het is dat een tekst door een taalmodel is geproduceerd.
Dat is iets fundamenteel anders dan plagiaatdetectie. Plagiaatsoftware vergelijkt teksten met bestaande bronnen en kan objectief vaststellen of een passage letterlijk is overgenomen. AI-detectie probeert daarentegen uit de stijl van een tekst af te leiden hoe deze waarschijnlijk tot stand is gekomen. Dat is geen vaststelling van een feit, maar een statistische inschatting.
Vanwaar dan die verontwaardiging over AI als schrijfhulpmiddel? Natuurlijk zijn verzonnen bronnen, fictieve citaten en plagiaat onacceptabel. Maar waarom zou een journalist of schrijver zich moeten schamen voor het gebruik van een hulpmiddel om argumenten scherper te formuleren, inconsistenties op te sporen, grammaticale fouten te verwijderen of ontbrekende context zichtbaar te maken? Niemand kijkt nog vreemd op van een spellingcontrole, een zoekmachine of een digitaal archief. Al die hulpmiddelen hebben het journalistieke proces veranderd.
Pas het goed toe
Generatieve AI doet dat opnieuw, maar op een veel grotere schaal. Neem het initiatief van Erwin Blom voor De Schrijfploeg: “Negen gespecialiseerde AI-agents die ieder een ander deel van het schrijfproces voor hun rekening nemen. Met nadruk: als je wilt. Want in ieder van de fasen kun je tegen de agent zeggen dat je ofwel alles zelf wilt doen, alles door AI wilt laten maken of een combinatie van die twee.”
Misschien is het zinvoller om de discussie om te draaien. In plaats van energie steken in het achteraf detecteren van AI zou de journalistiek zich kunnen afvragen hoe zij AI vóór publicatie kan inzetten om de kwaliteit van haar werk aantoonbaar te verhogen.
Een taalmodel kan tientallen bronnen naast elkaar leggen, inconsistenties aanwijzen, ontbrekende perspectieven signaleren, cijfers controleren, verwijzingen nalopen en journalisten waarschuwen wanneer een redenering logische gaten bevat. Geen van die toepassingen vervangt journalistiek vakmanschap. Zij versterken het juist. De eindverantwoordelijkheid blijft immers altijd bij de redacteur of auteur die besluit wat wel en niet wordt gepubliceerd.
Dus al die heisa met detectie vind ik een even ironische als tragische vergissing. De journalistiek beschikt voor het eerst over technologie die kan helpen om fouten te verminderen, context te vergroten en de betrouwbaarheid van publicaties te verbeteren, maar kiest ervoor om politieagentje te spelen
Het lijkt wel opzet om lezers zand in de ogen te strooien. Want de lezers en journalistiek moeten in discussie over tekortschietende publicaties. Want niemand leest een krant of een website om te weten hoe een artikel is geschreven. Lezers willen vooral weten of het zorgvuldig is onderzocht, feitelijk klopt, verschillende perspectieven recht doet en hen helpt de wereld beter te begrijpen. Als kunstmatige intelligentie daaraan kan bijdragen, is het misschien niet de technologie die ter discussie moet staan, maar de hardnekkige overtuiging dat goed journalistiek werk alleen waarde heeft wanneer het zonder haar tot stand is gekomen.
*) Volgens Humanizeai was de eerste versie van deze tekst 100% door mensen geschreven, volgens Humalingo 94% door AI, volgens Textguard 72% AI en volgens Pangram 100% A. Zoals de mens blijkt de technologie ook niet onfeilbaar.
**) Cartoon: Matthias Giessen