De Schatkamer is geen archief op zich, maar een publieksplatform dat een selectie toont uit de collecties van Beeld en Geluid. Het verschil is meer dan semantisch: het bepaalt hoe het project moet worden begrepen. Een aantal verschillen:
Pragmatisme met rechten
Hoe ging B&G voor De Schatkamer om met de vraag: hoe maak je grote hoeveelheden beschermd materiaal toegankelijk zonder voor elk afzonderlijk werk rechten te moeten klaren?
Die vraag speelt overal. In heel Europa bevinden zich vele miljoenen audiovisuele werken die nog onder auteursrecht vallen, maar die niet langer commercieel worden geëxploiteerd. Lange tijd betekende dat opsluiting in archieven. Het individueel klaren van rechten was juridisch en organisatorisch zo complex en bovendien zo duur, dat het op schaal gewoon niet haalbaar was.
Echter, sinds 2019 kennen we de Europese richtlijn 2019/790 met een regeling voor zogenaamde “out-of-commerce works”: werken die nog beschermd zijn, maar niet meer op de markt beschikbaar. De kern is een verschuiving van individuele toestemming naar collectieve transparantie, gecombineerd met een opt-out voor rechthebbenden. Instellingen kunnen lijsten van werken publiceren die ze willen ontsluiten in een Europese databank, en rechthebbenden kunnen zich verzetten. Als dat niet gebeurt, komt het materiaal onder voorwaarden beschikbaar.
Wat De Schatkamer bijzonder maakt, is de toepassing van dit kader op grote schaal. Beeld en Geluid heeft het mechanisme vertaald naar een operationeel model, waarbij lijsten van programma’s systematisch worden samengesteld en ontsloten, in combinatie met duidelijke afspraken met de publieke omroepen. Dat laatste is cruciaal. Zonder afstemming met rechthebbenden en zonder institutionele coördinatie zou het juridisch kader theoretisch gebleven zijn. En even terzijde: ook voor toegang tot de archieven van kranten en andere periodieke publicaties biedt dit kansen.
Nationaal initiatief
Even belangrijk is de rol van de Nederlandse overheid. Beeld en Geluid-directeur Eppo van Nispen hintte daarop in interviews bij de lancering van De Schatkamer. Die wortelt in nationaal beleid om archieven, omroepen en rechtenorganisaties met hun neus in dezelfde richting te brengen. Die expliciete keuze van Nederland was doorslaggevend.
Sommige landen deden dat ook, bijvoorbeeld Frankrijk biedt met INA toegang tot een groot deel van het televisie- en radio-erfgoed, zij het met andere vormen. Daarnaast biedt zowat elke West-Europese publieke omroep via een eigen streamingplatform archiefmateriaal aan. In Zwitserland brengt Memobase vele honderdduizenden fragmenten samen van verschillende instellingen, met als kern zo’n 650.000 programma’s en fragmenten van de openbare omroep SRG SSR. Uitbreiding staat op til.
Wat De Schatkamer onderscheidt van Europese broertjes en zusjes is het omvangrijke aanbod uit één archief, gratis online toegankelijk voor publiek, zonder dat de aanbieder zelf houder is van alle rechten. De Schatkamer is een, wat mij betreft, geslaagde poging om bescherming van rechten en optimale publieke toegang met elkaar te verzoenen.
Dat weerspreekt het klassieke argument dat omroeparchieven nu eenmaal niet toegankelijk kunnen zijn “vanwege complexe rechtenkwesties”, zoals de Vlaamse VRT maar half terecht opmerkte in een reactie op de lancering van de Schatkamer. Dat argument blijft relevant, maar verliest zijn absolute karakter.
De Schatkamer biedt dus voor Europa een belangrijk voorbeeld.