Over de keuze voor een staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit bij het ministerie van Economische Zaken zei Rob Jetten: “Belangrijk vinden we het op één plek samen te brengen. En daar komt dus ook alles bij kijken: digitale veiligheid en de enorme kansen die digitalisering biedt voor de Nederlandse economie en samenleving.”
Onze aankomende minister-president spreekt enthousiast over ‘digitale kansen’, maar doet weinig aan de sociale voorwaarden om die eerlijk te verdelen of aan de risico’s als dat niet gebeurt. De nadruk op digitaal burgerschap en zelfredzaamheid camoufleert bestaande ongelijkheid eerder dan die te verkleinen.
Beleidsstukken behandelen digitalisering als een technologisch-economisch dossier, terwijl het in werkelijkheid een sociale herordening is: ze bepaalt wie toegang krijgt tot zorg, onderwijs, werk, overheidsdiensten en informatie. Dat zijn geen neutrale verschuivingen, maar politieke keuzes over wie mee kan doen en wie barrières ervaart.
Digitaal hoeft niet perse
Toegegeven, in het coalitieakkoord is aandacht voor toegankelijkheid: “Overheidsdiensten worden toegankelijk en begrijpelijk ontworpen voor iedereen, inclusief mensen met een beperking. We zorgen voor voldoende telefonische en fysieke loketten.”
Een nobel streven, maar in een samenleving waarin digitalisering de norm is, zijn extra loketten slechts symptoombestrijding: je organiseert hulp voor mensen die vastlopen in systemen die je zelf steeds complexer maakt. Zolang het ontwerp niet fundamenteel inclusiever wordt, blijf je hulp stapelen op problemen die je zelf veroorzaakt.
De politieke verleiding is om digitalisering te presenteren als onvermijdelijke vooruitgang. Maar niets aan de inrichting van een digitale samenleving is vanzelfsprekend. Het zijn keuzes: over ontwerp, taal, tempo en toegankelijkheid. Misschien is een volwassen digitale strategie niet dat alles digitaal móét, maar dat niemand digitaal hóéft te zijn om volwaardig burger te blijven.
Geen eerlijke strijd
Coalitiepartners praten over kansen, maar in de praktijk worden die anders ervaren. Burgers moeten zichzelf voortdurend digitaal bijspijkeren: online bankieren, DigiD gebruiken, formulieren invullen, declaraties indienen. Die druk om jezelf steeds te ‘verbeteren’ leidt niet vanzelf tot inclusie, maar juist tot afhaken.
Wie digitalisering alleen als economische kans ziet, kijkt naar markten en infrastructuur. Wie naar de sociale gevolgen kijkt, ziet een samenleving waarin toegang steeds vaker afhankelijk is van taalvaardigheid, zelfredzaamheid en steun van anderen. Daar ligt de kern van sociaal-digitale ongelijkheid. Niet iedereen start vanaf dezelfde positie.
Een deel van de bevolking worstelt met lezen en schrijven, met bureaucratische taal, met formulieren en met digitale interfaces die zijn ontworpen voor mensen met digitale vaardigheden. Voor hen is digitalisering geen gemak, maar een extra laag complexiteit boven op een toch al kwetsbare positie. Wanneer beleid inzet op ‘digitaal tenzij’ of ‘online als standaard’, verschuift de verantwoordelijkheid naar het individu.
Verdelingsvraagstuk
In de praktijk vergroot dat de ongelijkheid. Wie niet kan volgen ervaart schaamte, afhankelijkheid en soms vermijding. De vraag is dan niet of het systeem inclusief is, maar voor wie we eigenlijk innoveren. Digitale inclusie wordt gepresenteerd als norm, bijna als morele plicht, alsof een goede burger per definitie digitaal vaardig is.
Een rechtvaardiger benadering ziet digitalisering niet als eindpunt, maar als middel. Het vertrekpunt is dan de leefwereld van mensen. Welke ondersteuning is er? Op wie kun je terugvallen? Zijn diensten begrijpelijk geformuleerd? Bestaan er volwaardige offline-alternatieven? Worden publieke voorzieningen zo ontworpen dat ook mensen met beperkte taalvaardigheid ze kunnen gebruiken?
De politiek van digitale kansen is uiteindelijk een verdelingsvraagstuk. Wie investeert in glasvezel en AI maar niet in sociale infrastructuur, verdeelt kansen ongelijk. Bibliotheken, buurtcentra, laagdrempelige loketten en menselijke tussenpersonen zijn niet iets van vroeger, maar voorwaarden voor een rechtvaardige digitale samenleving.
Een samenleving die economisch floreert maar sociaal selecteert, noemt zichzelf modern, maar organiseert ongelijkheid in een nieuw jasje. Digitalisering zou een uitnodiging moeten zijn, geen dwangbuis.
*) Alexander Smit is onderzoeker en docent, Rijksuniversiteit Groningen. Rudy van Belkom is directeur van de Stichting Toekomstbeeld der Techniek (STT). Een versie van dit artikel verscheen eerder bij Trouw.
**) Photo by Alvin David on Unsplash