Rob Blokzijl, pionierend van Amsterdam tot Kazachstan

"De internetgemeenschap lost het nog steeds onderling wel op"

Bij fysisch centrum Nikhef was Rob Blokzijl al in de jaren tachtig de belangrijkste aanjager van de steeds grotere vraag naar internetcapaciteit. Maar hij droeg spoedig ook intensief bij aan de verbreiding van internet in Europa en Azië. Hielp Amsterdam behalve aan coördinatieorgaan Ripe NCC ook aan de Amsterdam Internet Exchange.

Loopbaan

1943 geboren te Amsterdam op 21 oktober

2015 overleden te Roggel op 1 december

 

1967-1977 Universiteit Amsterdam, gepromoveerd in Experimentele Fysica

1978-2003 Nikhef (National Institute of Nuclear Physics and High Energy Physics), verantwoordelijk voor automatisering en netwerken

Verder

1989 Oprichter Ripe (Réseaux IP Européens) en Ripe Network NCC (Network Coordination Centre) als stichting in Amsterdam, en zeer actief werkzaam voor deze club

1989-heden Voorzitter Ripe

1991-1994 Medeoprichter Ams-Ix

1996-2003 Bestuurslid Nominet, Britse equivalent van de SIDN

1999-2002 Lid bestuur Icann

2010 Officier in de Orde van Oranje-Nassau

Foto’s:  Frank Groeliken

De wortels van internet liggen eigenlijk volledig in de Verenigde Staten. Hoe komt dat?

“Altijd worden de Verenigde Staten als bakermat genoemd. Eind jaren zestig werd er ook al in Europa, vooral in Engeland en Frankrijk, op behoorlijke schaal onderzoek gedaan naar packet switching; transport van data in pakketjes. Dat is in de praktijk voortgezet.

De telecombedrijven waren overal dominant en wetenschappers in zowel Amerika als Europa zochten naar alternatieven voor datacommunicatie. De PTT’s meenden dat dit nooit zou werken via telefoonnetten met de bestaande centrales. Die waren bedoeld om spraak vloeiend over te brengen. Maar onderzoekers zowel hier als in Amerika dachten: ‘Het zou toch best kunnen…”

Maar niet Europa bracht ons internet. Onder het Pentagon werd internet realiteit, net als Unix en UUCP daar ook in de VS van idee tot praktijk werden…

“Ook dat is niet helemaal juist. De oorsprong van het internet wordt altijd toegeschreven aan de militairen vanwege onderzoeksinstituut Darpa dat werd gefinancierd door het Pentagon. Maar er kwamen verschillende onderzoekstromen samen. Behalve Darpa ook vanuit de National Science Foundation en het Amerikaanse energieonderzoek met nucleaire fysica.”

Allemaal bang voor de Russen?

“Een fabeltje. Steeds wordt er weer verteld dat het een project was om bij een Russische atoomaanval met lange afstandsraketten de computers toch te laten doorwerken. Dat is echt onzin. De werkelijke drijfveer was een te beperkt computerbudget om een netwerk op te zetten. Leonard Kleinrock, van de University of Calfornia en manager bij Darpa, kreeg rond 1969 zo veel verzoeken van onderzoeksgroepen voor eigen computers dat het geld er niet meer was. Hij kwam met het idee om de computers onder te brengen in een netwerk, zodat de onderzoekers in Los Angeles en in Stanford van de totale capaciteit gebruik kunnen maken.

Pakketschakeling, waar hij zelf begin jaren zestig mede het theoretisch fundament voor had gelegd, nog niet rijp om in de praktijk te worden gebracht. Hij formuleerde een project en dat werd Arpanet. Eerst een verbinding tussen de Amerikaanse universiteiten UCLA en Stanford. Later met nog twee universiteiten in een netwerk.”

Een praktisch-economische drijfveer en geen militair-strategische?

“Ja, uit de praktijk van computeronderzoek. Het was goedkoper om pakketgeschakeld te gaan werken en er was reden voor een nieuw project. De mensen die erbij waren vertellen dit in Where Wizards Stay Up Late – The Origins of the Internet. Mooi geschreven en spannend verteld.”

[Iedereen kan dat downloaden. Letterlijk stellen de schrijvers: “Rumors had persisted for years that the Arpanet had been built to protect national security in the face of a nuclear attack. It was a myth that had gone unchallenged long enough to become widely accepted as fact.”]

Journalisten hebben de oorsprong nooit goed onderzocht?

“Vanmorgen nog [begin oktober 2013] sloeg ik de regionale krant De Limburger open. Die start met een serie vraaggesprekken met de pioniers van internet in Nederland. In de inleiding van het artikel stond weer dat internet is bedacht om atoomaanvallen te weerstaan. Ze schrijven steeds weer alles van elkaar over.

Denk dan even na; een netwerk kan nog zo robuust zijn uitgevoerd  en werkt misschien nog wel na een atoomaanval, maar dat geldt niet voor de mensen die met die computers moeten werken..

Die serie in de krant zou vanwege 20 jaar internet in Nederland zijn. Terwijl ik in deze serie wordt geïnterviewd vanwege 25 jaar internet in Nederland. Zo kom je voor verrassingen te staan in de pers.”

U bent ook gevraagd voor die serie, zeker nu u in Limburg woont?

“Lijkt me niet voor de hand liggen. Als ze het internet in Nederland in 1993 laten beginnen - waarschijnlijk vanwege enkele providers die toen particulieren begonnen te ontsluiten - zien ze mij ongetwijfeld niet als een pionier. In dat eerste artikel herkende ik ook bijna niets van het werk dat wij gedaan hebben.”

Uw eerste gebruik van internet?

“Als kernfysicus in een laboratorium van Nikhef wilde ik werken op de grootste IBM of Cray computers van andere kernlaboratoria zoals het Cern  in Geneve. Vergaande analyses maken zonder in een barak bij het Cern te hoeven slapen.

Dat was voor mij de belangrijkste reden. Bestanden sturen en e-mail kwamen op de tweede en derde plaats. De bandbreedte groeide en dankzij compressie konden we steeds meer data over de lijn versturen.”

Dat was duur…

“Die telefoonrekening liet ik in het begin bewust rustig oplopen. Tot een directeur daar vragen over stelde. Toen stelde ik voor om een huurlijn te nemen wat goedkoper zou zijn dan steeds inbellen. Dat was de aanzet tot de eerste vaste verbinding voor ons Hefnet met Cern.

Dat deden we samen met het CWI, wij hadden de fysica en het Cern was ook een stevig knooppunt in het UUCP-netwerk. Dus er was een heleboel verkeer tussen Amsterdam en Geneve en samen inkopen drukte de prijs behoorlijk.

Zo deden we dat voor steeds meer verbindingen samen; Hefnet voor fysici en UUCP voor computerafdelingen van dezelfde universiteiten. Ons budget voor verbindingen kwam van de fysica-instituten. Dat moesten we wel bevechten, want sommige directeuren vonden dat het geld alleen naar onderzoek moest en niet te veel naar die verbindingen.”

Was verbindingen optuigen technisch een groot probleem?

“Integendeel, over die vaste verbindingen liepen al in 1983 een heleboel protocollen naast elkaar. Verschillende Decnet-versies, SNA van IBM en UUCP en TCP/IP van Unix-computers. Een heleboel technologieën dus, waarvan de gebruikers een hechte groep vormden die samen de verbindingen regelden.

Moet je nu om komen. Technici schrikken nu al van twee versies - IP versie 4 en IP versie 6 - naast elkaar routeren bijvoorbeeld.”

Waren de lijnen snel genoeg zodat het verzenden van dragers per post niet meer nodig was?

“Nee, dat is pas iets van de laatste jaren met directe glasvezelverbindingen naar Geneve. We hebben nog jarenlang de postduif ingezet om grote databestanden over te brengen.”

Kwamen de PTT’s nooit vragen wat jullie op hun lijnen deden gezien al die vernieuwing?

“Ze zagen ons vooral als klant van huurlijnen. Wij hadden ook helemaal geen behoefte om kennis met hen te delen. Over de eerste lijnen mocht immers geen TCP/IP, want dat was geen erkend protocol. Ook mochten we jarenlang geen lijnen delen terwijl we dat juist intensief deden. Er was alle reden om de PTT op afstand te houden.

Gelukkig kwam Cisco met een oplossing om in een combinatie van X.25 en TCP/IP data uit te wisselen. PTT paste monitoring toe op X.25, maar niet op het niveau van TCP/IP.

De relatie was bepaald koel. PTT had als monopolist een leverplicht voor huurlijnen, maar helaas vermeldde de wet de levertermijnen niet. Op de eerste lijn naar Geneve moesten we negen maanden wachten. Dat kun je je nu toch niet meer voorstellen. Later ging PTT echt tegenwerken toen ze doorhadden dat we verkeer van CWI, Nikhef en later ook NLnet bundelden.”

Maar jullie betaalden toch fors voor die lijnen?

“Zeg dat wel. Ik weet nog wat mijn allereerste 9.600 bits lijntje naar de Cern kostte: 40.000 Nederlandse guldens per jaar. Ik kreeg wel vragen of al die kosten voor de Europese datacommunicatie nodig waren, maar ik kon het goed verantwoorden.”

Vond u het ook opwindend?

“Hier spreekt de Twittergeneratie mij toe. Ik heb het nooit als opwindend ervaren. Het was al heel wat als iemand ’s ochtends bij de koffieautomaat meldde dat er met Usenet wel drie artikelen waren binnengekomen .”

Nikhef was in feite louter gebruiker van datacommunicatie, geen aanbieder. U stond zelf aan de wieg van Ams-Ix. Waren CWI en Nikhef twee handen op één buik?

“We deelden lijnen naar buiten. We zagen elkaar in de kantine en discussieerden altijd over nieuwe mogelijkheden, directe verbindingen, hogere snelheden, storingen.

Partijen gingen steeds meer onderling verkeer uitwisselen en verrekenen; de peering. Dat groeide vrolijk verder en het CWI bleef een hoofdrol vervullen als marktplaats voor het uitwisselen van verkeersstromen tussen verschillende partijen in Europa. Tot het zo’n belangrijke activiteit werd dat we daaruit, op een heel natuurlijke manier, de Ams-Ix lieten ontstaan. Zo werd die uitwisseling geformaliseerd in een zelfstandige eenheid.

De rol van Nikhef in Ams-Ix groeide. Nikhef bleef één van de huisvestende partijen. Er werd zelfs een bibliotheek opgeofferd om een computerzaal voor Ams-Ix van te maken.”

Ging dat niet te ver?

“Het was een semicommerciële activiteit die wij niet geacht werden te doen. Dus zei de directie: zorg dat je altijd de duurste partij bent met tarieven voor het aansluiten. Die vergaande bemoeienis met de Europese datacommunicatie was niet louter commercieel, maar altijd cruciaal om ons onderzoek te ondersteunen.”

U heeft met Daniel Karrenberg in 1992 het Ripe Network Coordination Centre opgericht. Het eerste instituut in de wereld dat coördinatie van internetroutering op zich nam. Waarom?

“Het was gedreven vanuit de praktijk. Na een periode van sterke groei van het internet bleek het ineens niet meer als vanzelfsprekend te werken. Nieuwkomers hadden dan bijvoorbeeld uit de appendix van ‘Hoe implementeer je machines voor internet’ letterlijk het voorbeeld overgenomen in plaats van de eigen adressen.

Dan werkte de routering van verkeer prima binnen de eigen campus, maar als een volgende universiteit dat adres ook registreerde en meerdere partijen kwamen met dit adres op een openbare aansluiting, dan ontstond er een probleem in de mondiale routering van verkeer.

Er ontstaan aanvaringen als openbare adressen niet volkomen uniek zijn. Staat machine 3 in het netwerk nu in Groningen of in Maastricht? Beide zeggen ‘ik ben 3’.

Er moest dus coördinatie komen in routering, want ineens vloog er verkeer alle kanten uit. Qua kosten wilden we het ook beter in de hand houden: als partij A veel verkeer stuurt moet hij ook evenredig mee betalen aan die lijnen.

Dus Ripe ging routering, IP-nummers en DNS-implementatie coördineren, bemiddelen bij problemen en kennisuitwisseling op poten zetten met publicaties en congressen.”

Is dat nooit klaar?

"Als je het verslag leest van de eerste vergadering van Ripe, ruim twintig jaar geleden, en dat vergelijkt met de agenda van vandaag de dag zie je dat het nog om precies dezelfde onderwerpen gaat. Maar met de groei van het internet is elk knelpunt alleen maar groter geworden.”

Met Ripe werd internet voor het eerst gereguleerd?

“Ik zou liever zeggen gecoördineerd. We zijn altijd aan de uitvoerende kant bezig en stellen geen regels op. We reguleren dus niets, in tegenstelling tot de Icann. Daar was ik ook actief omdat wij vanuit de praktijk veel kennis hadden over de werking van het DNS en de domeinen. Je kunt als Icann wel ingrijpende besluiten nemen, maar het moet wel uitvoerbaar zijn in de praktijk.”

IPv6 of IP-nummering versie 6, de nieuwe adressering van internet, is nu hot. Er wordt al jaren geroepen, ondermeer door een speciale werkgroep in Nederland, dat het vreselijk zal misgaan als we aan IPv4 blijven vasthouden. Dus op aandrang van provider Xs4all probeerde ik op IPv6 over te gaan, maar dat verliep hopeloos. Ondertussen werkt alles nog gewoon met IP versie 4. Wat te doen als Ripe?

 “De IPv4 nummers zijn op, op kleine plukjes na voor nieuwe providers. Die beginnen met versie 6 en moeten op versie 4 kunnen aansluiten. Uiteindelijk is de overgang een verantwoordelijkheid van de internetproviders. Zij moeten bij de abonnees de kastjes vervangen die geen IPv6 aankunnen. En die ook in één keer goed laten functioneren zonder dat gebruikers er last van hebben. Je kunt de gemiddelde gebruiker niet vragen om dit op te lossen. Hij betaalt voor internettoegang en de provider heeft dat maar te bieden.”

Waar kwam het geld voor Ripe vandaan?

“Het was een community die afspraken maakte om af en toe bijeen te komen en verder over internet te discussiëren. Dat kostte niets, we regelden het onderling. Nu betalen de 10.000 aangesloten internetproviders contributie aan de vereniging.

Mijn belangrijkste taak is het bijeenbrengen van belanghebbenden en het bij elkaar houden van die meute van inmiddels duizenden deelnemers in de noodzakelijke richting: een goed functionerend internet.”

De halve wereld gezien met al die internetcongressen, ontmoetingen met vele culturen. Is dat een van de meest aantrekkelijk kanten van uw werk?

“Daar heb ik natuurlijk ook erg van genoten. Vooral de culturele verschillen hebben me altijd erg geïnspireerd. Nu ik zeventig ben, is de bekoring van het reizen er wel af.

Ik heb dagelijks via internet heel intensief contact met partijen en personen met wie ik alles coördineer. Maar het is ook goed om elkaar regelmatig in levende lijve te ontmoeten om rustig de tendensen en belangrijke kwesties die je wilt regelen, te bespreken.

Juist regionaal hebben we extra bijeenkomsten voor leden opgezet, zoals twee keer per jaar in Rusland of Oekraïne. Daar bleek behoefte aan te zijn en komen nu elke keer zo’n 500 mensen samen. We zagen onze leden uit het Midden-Oosten nauwelijks op centrale ledenvergaderingen, dus ook daar zijn we regionale bijeenkomsten gestart, die steeds meer mensen trekken.”

Hoe manifesteren die culturele verschillen zich?

“Ons bestuursmodel bijvoorbeeld is voor niet-Westeuropeanen moeilijk te doorgronden. Hoe dat  werkt met een bestuur, rechten en plichten en een ledenvergadering die het laatste woord heeft.

Al te vaak krijgen we van een overheid de stimulans om dit of dat eens flink aan te pakken, maar wij hebben die zelfstandige bevoegdheid niet. En dat is goed.

Het is het ook voor overheden moeilijk te begrijpen of te accepteren dat de zeggenschap werkelijk bij die 10.000 leden ligt.

Het internet berust op 20.000 onafhankelijk internetproviders, die zich schikken naar technische standaarden en afspraken. Dat is een prachtig model, maar de druk van regeringen neemt helaas wel toe.”

Internet ging om steeds grotere belangen. Bleef het altijd beschaafd?

Lachend: “Het zijn niet allemaal Nederlanders… Natuurlijk ging het er wel eens verhit aan toe. Kijk, 75 landen met 100 talen. Oost-Siberië is heel anders dan Zuid-Jemen, maar ze hebben allemaal baat bij open standaarden en coöperatie. Anders werkt het gewoon niet.

Ervaring helpt ook om de gemoederen in toom te houden en het debat in de juiste banen te leiden. Steeds als mensen zich ineens melden met een ‘hot item’ en het hele podium daarvoor opeisen, dan kun je dat nuanceren. Heb ik dat niet eerder zien langskomen? Dat voorstel werkte in 1992 ook niet, wat is er nu verbeterd? ”

In feite is er in 30 jaar internet nauwelijks iets veranderd?

“Dat vereist ook een nuance. Aan het TCP/IP protocol, dat ten grondslag ligt aan het internetverkeer, is 30 jaar lang niets veranderd. De markt heeft natuurlijk talloze vernieuwingen tot stand gebracht, dankzij dat protocol. Van Google tot mobiel internet.”

Ripe was al nodig om met beperkt gebruik internet in goede banen te leiden. Voorzag u de sprong naar de massa in het eerste decennium?

“Nee, niemand trouwens. We waren technici onder elkaar. We dachten er niet over na ook. Waarom zou je? Het internet was al snel een middel en geen doel op zich. Het was ook academisch, en niet commercieel. We gingen er geen geld mee verdienen.

Ik denk dat de komst van het World Wide Web in 1992-1993 en een steeds vriendelijker browser de drempel voor algemeen gebruik enorm heeft verlaagd. Daarna kreeg je de providers, die particulieren gingen aansluiten en een pakketje gaven met een browser en mailprogramma.”

Wat denkt u als aartsvader van vrije communicatie via internet van de jongste onthullingen over spionage door de NSA?

“Het blijkt dat de privacy van burgers tegenover grote bedrijven als Amazon en de overheden in elkaar overvloeien. Er is prachtige wetgeving om de bevoegdheden van overheden aan banden te leggen, maar via een achterdeur weten ze die restricties perfect te omzeilen.

Spionage is van alle tijden en niet mijn probleem.  Ze vinden altijd wegen om de beveiliging te corrumperen. De Nederlandse overheid gaat echt door de knieën als de Amerikaanse overheid dat eist. Daar helpt geen stukje software tegen.”

De AIVD blijkt van mij een dossier bij te houden vanwege Oost-Europese familie en vrienden. Kunt u zich voorstellen dat u ook doelwit was van geheime diensten?

“Geen idee, en mocht dit zo zijn dan lig ik er niet van wakker. Ik ben veelvuldig in landen geweest met bijzondere interesse in de bewegingen van bezoekers.

Dat Ripe doelwit van spionage zou zijn, lijkt me onwaarschijnlijk. Alles wat wij doen is openbaar gedocumenteerd.”

Heeft Ripe last van criminaliteit?

“Wij hebben qua beveiliging de meeste problemen met mensen die typefouten maken in hun routeconfiguratie waardoor grote storingen kunnen ontstaan.

Maar er is ook meer en meer doelbewuste misleidende routering. Ook hebben we te maken met diefstal van IP-nummers. Daar werken we aan.”

Hoe gaat die diefstal in zijn werk?

“Malicieuze organisaties zetten IP-nummers in gebruik, die al lang niet meer door de oorspronkelijke eigenaar worden gebruikt. Op die domeinen creëren ze criminaliteit, zoals phishing.

We houden voor ieder lid een register bij van IP-nummers. Bij een verdacht nummerblok komt een waarschuwing te staan, zodat providers opletten of toegang bieden tot die IP-nummers.”

Was er veel wild west die geen rekening hield met het functioneren van het systeem?

“De community doet heel goed werk in het traceren van bedenkelijke elementen. Opvallend vind ik dat nog altijd zo’n groot deel van de deelnemers zo goed te vertrouwen is. Internet is nog altijd een netwerk op basis van vertrouwen, meer dan op basis van wetten en regels.”

Omdat u vloeiend Russisch spreekt, vroeg de Nato u onder meer in 1995 om de nieuwe republieken die uit de Sovjet-Unie ontstonden, vooral die in het zuiden, op internet te helpen. Waarom?

“Nadat de Sovjet-Unie uiteen viel en de communistische staatsvormen in Europa verdwenen, wilde de Nato wetenschappelijke instituten ondersteunen, met name de wetenschappers in bijvoorbeeld Kazachstan en Oekraïne die met nucleaire zaken bezig waren.

Hoewel dat nooit hardop is uitgesproken, was de doelstelling van al die hulp uiteraard politiek. De stabiliteit ondersteunen. Daar was ik het van harte mee eens, anders zou ik er niet aan begonnen zijn. Het was goed om deze instituten zo snel mogelijk op internet aan te sluiten en met hen te gaan communiceren.”

Hoe deed u dat?

“We moesten daar echt van de grond af beginnen, pionieren. Toen ik in Kazachstan arriveerde, was er helemaal niets. Ik liet materiaal invliegen vanuit Rusland, door kennissen verstuurd.

Internet begint meestal vanuit de wetenschap, dus startte ik in die landen ook met de nationale Academie van Wetenschappen of een vergelijkbare organisatie. Professoren in technische wetenschappen en systeembeheerders waren de eersten met wie ik contact legde.

De Internet 1996 World Exposition moest de grote stimulans worden voor de komst van nieuwe landen op het internet. Om snel een grote groep te overtuigen, hadden we steun van de echte wereldtop nodig. Via onze contacten in het Witte Huis hadden we al een persoonlijke aanbevelingsbrief geregeld van toenmalig president Clinton en vice-president Al Gore. Zo kregen we ook een aanbeveling van Boris Jeltsin, waarin hij uitsprak hoe belangrijk internet was voor de ontwikkeling van de nieuwe staten.”

 Waar bent u trots op?

“Dat Ripe inmiddels een vereniging is met 10.000 leden over 75 landen en nog steeds in staat is om als gemeenschap samen dingen op poten te zetten en samen te debatteren.”

Het heeft Hare Majesteit behaagd u tot Officier in de Orde van Oranje Nassau te benoemen. Maar bent u ook erkend door publiek en media?

“Jaren geleden mocht ik tijdens een bijeenkomst over geschiedenis van internet bij de Duitse Internet Exchange in Frankfurt spreken over de eerste jaren van internet in Europa. Zo’n erkenning in de internet community vind ik belangrijk. De mensen die ertoe doen, weten wat m’n verdiensten zijn. Nederland aan het internet te helpen en hier een belangrijk Europees centrum van het net te maken. En wie zich daar niet in wil verdiepen, ook goed.”

 

Graag kort en bondig. Kwetsende, discriminerende en/of commerciële uitlatingen worden verwijderd.
 

Nieuwsbrief ontvangen?

Ja, stuur mij de nieuwsbrief. We gaan zorgvuldig met je gegevens om. Je krijgt ook gelijk toegang tot alle plusartikelen.

Controleer nu je e-mail

Je ontvangt een bericht met instructies om je e-mailadres te bevestigen. Zonder deze bevestiging sturen we je geen nieuwsbrief, doe het dus gelijk even!

asdas sdf fs dfsdfsf sdffsd
Netkwesties © 1999/2017. Alle rechten voorbehouden. Privacyverklaring
Ehio Media content marketing
1
0
1