Buitengebieden

Slecht internet zorgt voor sociale ongelijkheid: zo willen provincies dat tegengaan

Nederland heeft misschien wel het beste internet ter wereld. En ook de toegang tot snel internet wordt steeds beter, mede vanwege de aanleg van glasvezel. De gigabits vliegen je om de oren. Toch is die digitale weelde niet eerlijk verdeeld.

Inwoners van kleinere dorpen en gezinnen met een laag inkomen zijn vaak aangewezen op een trage verbinding. Provincies willen voorkomen dat er kansenongelijkheid ontstaat door slecht internet. Maar hoe doen ze dat?

Internet als voorwaarde om mee te doen

Internet is tegenwoordig steeds meer een voorwaarde om mee te kunnen doen in de maatschappij. Nederlanders krijgen vaak de vraag of ze nog wel post willen ontvangen van de overheid, of dat dit ook digitaal mag. En ook het onderwijs, de zorg en de bankzaken verlopen steeds meer via het internet. Denk aan videobellen met je arts, online onderwijs volgen en het uitvoeren van betalingen.

Een goede verbinding is inmiddels allang geen luxevoorziening meer. Het is juist verworden tot een basisvoorziening. Op papier heeft 99 procent van Nederland toegang tot snel vast internet. Uitstekend, totdat je tot de groep van die ene procent behoort. Uit cijfers die het kabinet in 2024 naar de Tweede Kamer stuurde, bleek dat ongeveer 27.500 adressen in het buitengebied het moeten doen met een verbinding minder dan 100 Mbps en 80 procent daarvan met minder dan 30 Mbps.

Eindspurt naar 2028

De verwachting was in 2024 dat marktpartijen tot en met 2028 een eindspurt zouden maken om in ieder geval 15.500 van die adressen aan te sluiten op glasvezel. De andere adressen zouden gebruik moeten maken van draadloze alternatieven. Dat blijkt allemaal toch niet zo voor de hand liggend als gedacht. Telecombedrijven blijken geen liefdadigheidsinstellingen; het heeft commercieel weinig toegevoegde waarde om een glasvezelkabel te leggen naar drie boerderijen.
 

Dat werkt sociale ongelijkheid in de hand. Ook als het gaat om digitale toegang vanuit inkomensperspectief. Gezinnen met een laag inkomen hebben vaak geen toegang tot goed internet, omdat het simpelweg te duur is. Een groot probleem, want op school moeten werkstukken steeds vaker digitaal worden ingeleverd.

Ongelijkheid binnen dezelfde regio

Binnen een provincie kan de ongelijkheid al groot zijn, blijkt uit vergelijkingen van Providercheck.nl. De vergelijker ziet in de resultaten van zijn postcodechecks dat op één adres wel 4 Gbit per seconde kan worden behaald, terwijl er acht kilometer verderop nauwelijks 100 Mbps kan worden behaald.

Ondertussen verschilt de maandprijs vaak niet. Dat houdt in dat huishoudens meer betalen voor trager internet. Het woonadres bepaalt daarmee niet alleen uit welke providers je kunt kiezen, maar ook of thuiswerken met meerdere mensen probleemloos kan.

In Súdwest-Fryslân kampen providers met ‘onrendabele adressen’. Dat zijn adressen die voor marktpartijen te duur zijn om regulier aan te sluiten. Parrega is daar een mooi voorbeeld van. Op de Trekweg halen veel adressen zo’n 50 tot 100 Mbps. In Makkum daarentegen is glasvezel ruim beschikbaar. Abonnementen beginnen daar bij 1 Gbit en kunnen oplopen tot 4 Gbit.

Groningen trekt 25 miljoen uit

In Groningen werd besloten dat wachten op de markt geen zoden aan de dijk zet. De provincie maakte afgelopen zomer bekend opnieuw te onderzoeken hoe ongeveer 4.000 adressen zonder goede internetverbinding alsnog aangesloten kunnen worden.

Daarvoor haalt de provincie geld uit het potje van Nij Begun. De provincie is begonnen met een marktconsultatie, waarbij bedrijven en organisaties aangeven welke oplossingen technisch en financieel haalbaar zijn. De provincie heeft een uitgesproken voorkeur voor glasvezel, tenzij dat buitenproportioneel duur wordt. Dan is een draadloze verbinding of satellietinternet ook interessant.

Provincies willen het voortouw nemen

Niet alleen in Groningen is er beweging te zien. Het Interprovinciaal Overleg (IPO) noemt digitale infrastructuur inmiddels een fundament onder brede welvaart. Provincies willen daarom veel meer regie als het gaat om de aanleg van goed internet. Het is iets dat niet alleen aan de commerciële markt kan worden overgelaten, zijn provincies van mening.

Goed internet gaat immers veel verder dan alleen een glasvezelkabeltje trekken. Datacenters, energievoorziening, datasoevereiniteit, zeekabels en weerbaarheid van digitale netwerken zijn minstens zo belangrijk.

Kleinere rol voor commercie?

Digitale infrastructuur was altijd het terrein van commerciële partijen. De overheid stelde regels op en de markt legde de netwerken aan. Maar nu willen provincies toch graag gewoon doorpakken. De laatste procent van Nederland aansluiten is geen technisch vraagstuk meer, maar een politieke en maatschappelijke keuze.

De vraag die nu leeft bij lokale overheden: hoe zorgen we ervoor dat ook iemand aan het einde van een landweg volwaardig digitaal kan meedoen? En daarna komt de vraag: hoeveel geld hebben we daarvoor nodig?

Gepubliceerd

24 okt 2026
Netkwesties
Netkwesties is een webuitgave over internet, ict, media en samenleving met achtergrondartikelen, beschouwingen, columns en commentaren van een panel van deskundigen.
Colofon Nieuwsbrief RSS Feed Twitter

Nieuwsbrief ontvangen?

De Netkwesties nieuwsbrief bevat boeiende achtergrondartikelen, beschouwingen, columns en commentaren van een panel van deskundigen o.g.v. internet, ict, media en samenleving.

De nieuwsbrief is gratis. We gaan zorgvuldig met je gegevens om, we sturen nooit spam.

Abonneren Preview bekijken?

Netkwesties © 1999/2026. Alle rechten voorbehouden. Privacyverklaring

1
0