Die vraag dringt zich op bij een recent onderzoek van de Universiteit van Amsterdam: The Hostile Misinformation Effect: How Ideological Congruence Drives the Assessment of Misinformation Targets, gepubliceerd in Political Communication. Het gaat over desinformatie tijdens de campagnes voor de Europese verkiezingen van 2024. Ruim vierduizend respondenten in Nederland, Duitsland en Polen zijn gevolgd.
Uitkomst: respondenten waren aanzienlijk eerder geneigd te geloven dat hun eigen politieke voorkeur doelwit was van desinformatie dan politieke partijen die zij afwezen. Zoals de onderzoekers zelf schrijven.
Joshua Benton van het Nieman Journalism Lab ziet in het Amsterdamse onderzoek een hedendaagse variant van het hostile media effect, een begrip uit de communicatiewetenschap van veertig jaar geleden: in een reportage over de bloedbaden in Sabra en Shatila van 1982 zagen voorstanders van Israël anti-Israëlische vooringenomenheid en verdedigers van de Palestijnse zaak een pro-Israëlische vertekening. De beelden waren identiek. Wat verschilde was de interpretatie. Dat is nu kennelijk het geval met desinformatie en wie ervan profiteert.
Desinformatie overtrokken
De Amsterdamse onderzoekers constateren dat het vertekende beeld over desinformatie toenam met de mate waarin respondenten ideologisch betrokken zijn bij de politiek: degenen die het meest betrokken zijn bij het politieke debat zijn het sterkst geneigd te denken dat hun eigen kamp wordt benadeeld.
Die bevinding sluit aan bij onderzoek uit 2024 van Van der Meer en Hameleers: burgers in verschillende landen schatten dat meer dan de helft van hun informatieomgeving uit desinformatie bestaat. Terwijl dit in werkelijkheid hooguit één procent is. Dus er is veel minder onbetrouwbare berichtgeving dan wat burgers ervaren aan eenzijdige berichtgeving, politieke framing, sensatiezucht of domweg leugens.
Te gemakkelijk wordt het etiket “fake news” ten onrechte gebruikt waar mensen informatie vooral onwelgevallig vinden. Het is hun interpretatie. We hebben in publieke discussies veel meer te maken met divergentie.
Van feiten naar verhalen
Een recent voorbeeld over berichtgeving over de onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en Iran over het nucleaire dossier: de kernfeiten waren grotendeels gelijk, maar toch ontstonden verschillende verhalen:
Dit is geen strijd tussen feit en fictie, maar divergentie. Desinformatie behelst in principe onjuistheid ten behoeve van misleiding. Maar divergentie stoelt op verschillende betekenissen van dezelfde feiten.
Dit zien we in felle discussies over migratie, klimaat, defensie-uitgaven of de EU, waarin meer overeenstemming over de onderliggende feiten bestaat dan de toon van het debat doet vermoeden. De interpretatie wel. Voor de één vormen dezelfde migratiecijfers bewijs van economische dynamiek. Voor de ander illustreren zij toenemende druk op voorzieningen.
Divergentie is geen fout in het systeem. In een pluralistische samenleving is het een normaal gevolg van verschillende waarden, belangen, ervaringen en prioriteiten.
Opdracht van de journalistiek
Toch ontstaat al snel de veronderstelling dat de ander verkeerde informatie heeft gekregen wanneer die conclusies trekt die afwijken van het eigen perspectief. De ander is slachtoffer zijn misleiding in een informatiebubbel.
Voor de journalistiek ligt daar een uitdaging. Het controleren van feiten blijft vanzelfsprekend een kernfunctie. Maar in een tijd waarin burgers langs elkaar heen praten, ontstaat een tweede opdracht: verschillende interpretaties bieden met ondersteunende argumenten. Immers, de hedendaagse informatieconflicten zijn geen gevolg van desinformatie maar van toegekende betekenis.
Desinformatie benoemen blijft uiteraard relevant. Maar veel belangrijker, en moeilijker, is het schetsen van de tegengestelde perspectieven. Als die een plek krijgen en mensen zich erkend voelen, zullen mensen hopelijk minder in hun bubbel of loopgraven blijven zitten. En, wie weet, zelfs bereid zijn om te luisteren en eensgezindheid te bereiken over besluiten op grond van de feiten.
*) Beeld: Alcibiades wordt onderwezen door Socrates, 1776.