Beelden Peter R. de Vries van Koos H. dienen publiek belang

Het privacybelang van moordenaar Koos H. is door de rechter ten onrechte geplaatst boven het belang van zijn huiveringwekkende onthullingen. (Met commentaar van onze experts Bob Stumpel en Jetse Sprey, en een naschrift van de auteur.)

'Schande dat Peter R. de Vries in zijn jacht naar de kijkcijfers nu zelfs een vonnis van een onafhankelijke rechter naast zich neerlegt.'

Dat gevoel lijkt bij veel mensen de boventoon te voeren na de eerste uitzending van Peter R. de Vries over Koos. H. waarin de beelden van de veroordeelde te zien waren. Misschien niet bij de man op de straat, wel bij de meeste serieuze commentatoren. Koos H. zit vast en ondergaat dus zijn straf. Hij moet dan niet ook nog eens door Peter R. over de knie worden gelegd en uitgebreid herkenbaar in beeld komen.

Maar zit de man op de straat er nou echt helemaal naast?

Dat het Peter R. de Vries en SBS ook gewoon om de kijkcijfers te doen is, lijkt me niet helemaal ondenkbaar. Alleen, als mooie kijkcijfers of indrukwekkende lezersaantallen geen drijfveer meer zouden mogen zijn, dan zouden we wel eens uitsluitend aangewezen kunnen zijn op informatieverstrekking door de overheid .

Maar kan hij dan zomaar een rechterlijk vonnis naast zich neerleggen en de dwangsom voor lief nemen?

Misschien bewijst De Vries andere media daarmee inderdaad geen grote dienst. Media zullen in de rechtszaal voortaan mogelijk sneller geconfronteerd worden met hoge dwangsommen. Aan de andere kant zal dat misschien ook weer niet zo’n vaart lopen omdat niet alle media over één kam kunnen worden geschoren. Toch had De Vries in hoger beroep moeten gaan en die uitspraak moeten afwachten.

Zijn frustratie is wel begrijpelijk. Onze grondwet verbiedt voorafgaand toezicht op de media. Het vonnis zet dat verbod opzij. Dat kan in uitzonderingsgevallen, maar alleen als daar een zeer zwaarwegende reden voor bestaat. En die ontbreekt hier wat mij betreft.

Volgens de Nederlandse rechtspraak hebben ook verdachten en veroordeelde misdadigers recht op privacy. Eind 2008 oordeelde de rechtbank in een zaak over een publicatie in Aktueel bijvoorbeeld nog dat ook seriemoordenaar Willem van E. recht op privacy had.

Daar valt ook veel voor te zeggen. De vraag is alleen hoe krap het jasje van dat privacyrecht is geworden als iemand levenslang vastzit voor de meest vreselijke misdaden. Volgens de rechter *) kan het herkenbaar vertonen van Koos H. ‘een negatieve invloed hebben op de wijze van tenuitvoerlegging van zijn straf, de mogelijke behandeling van zijn psychische problemen en de bejegening door medegedetineerden.’

Ja, dank je de koekoek. Natuurlijk is het niet fijn voor Koos H. als de beelden worden getoond. Zijn medegedetineerden zullen overigens allang weten waarvoor Koos H. vast zit. Hij werd waarschijnlijk ook vóór de uitzending al behoorlijk ‘onheus bejegend’ door zijn medegevangenen. Bovendien lijkt de eigen schuld van Koos H. uit het oog te worden verloren.

Ik denk dat het privacybelang van Koos H. ten onrechte is geplaatst boven het belang van diens huiveringwekkende onthullingen. Op zich kun je de vraag stellen waarom hij herkenbaar moet worden getoond. Is dat alleen maar om de nieuwsgierigheid van de kijker te voeden?

Ja, en dus? Het stillen van de nieuwsgierigheid van de kijker speelt bij (onderzoeks)journalistiek terecht een belangrijke rol. De mimiek van Koos H., zijn lichaamshouding als hij uitlegt dat hij een jong meisje neerschoot omdat ze hem naar zijn mening een verkeerd antwoord gaf – die beelden voegen veel toe aan de uitzending.

We leven in een maatschappij waarin beeld een onmisbare rol speelt. Ook beeld wordt beschermd door de vrijheid van meningsuiting, ook als dat een beperking van iemands privacy betekent. Het belang van het tonen van beeldmateriaal wordt nog te vaak opzij geschoven, omdat het niet noodzakelijk zou zijn een verhaal met beeld te illustreren.

Dat is om te beginnen de verkeerde toets. De vraag is niet of het noodzakelijk is beeld te tonen, maar of het noodzakelijk is dat niet te doen, zo leert ons artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

De ontspannen manier waarop Koos H. vertelt over zijn gruweldaden doet denken aan de zaak Ferdi E., de moordenaar van Gerrit-Jan Heijn. Ferdi E. was in het geniep op de foto vastgelegd bij een politiereconstructie van de moord. Op de foto zag je hem rustig een sjekkie rollen, terwijl hij de politie uit de doeken deed hoe hij Heijn had vermoord.

De foto werd gepubliceerd in Panorama, en Ferdi E. stapte naar de rechter wegens privacyinbreuk. De Hoge Raad vond dat publicatie van de foto was toegestaan. Daarbij speelde een rol dat de foto de Zilveren Camera had gewonnen.

In beide gevallen werd de zeggingskracht van de publicatie sterk vergroot door de vastgelegde mimiek van de misdadiger. Het is dan ook opmerkelijk dat de afweging tussen de persvrijheid en het privacyrecht(je) van Koos H. in deze zaak in het voordeel van de laatste uitviel.

*)

Uitspraak 9 april 2010
Uitspraak 16 april 2010

Wat vinden de experts?

29 apr 2010

Misdaad-journalistiek

Steeds frequenter worden we geïnformeerd over vermoede of plausibele of waarschijnlijke mis- en wandaden van criminelen, vriendjes van criminelen, zakenpartners van criminelen en andere politici of vastgoedondernemers.

Niet dat ik wars ben van een goeie roddel of een spannend gerucht, of dat ik niet verontrust wil worden door een mogelijke misstand, of dat ik niet meer boos kan worden op een zakkenvullende gedeputeerde.

Maar ik zou het toch op prijs stellen als mijn favoriete media wat beter en preciezer voor me zouden selecteren en duiden waar nou echt - ik bedoel: met feiten geadstrueerd - stront aan de knikker is, en wie daarvoor nou wel of niet – ik bedoel: op basis van een gerechtelijke uitspraak - in het cachot zal worden geworpen.

Feiten

Onder heldhaftige labels als 'misdaadverslaggever' en 'onderzoeks-journalist' voelen nieuwsmakers zich steeds vaker vrij om in serieuze media een Story- of Privé-parodie op ècht, driedubbel gecheckt, feitelijk, nieuws te brengen.

Steeds vaker word ik niet goed van die berichten. Ik lees of begrijp tussen de regels te vaak dat het gaat om gespinde feitoïden, vaardig gelekt of zelfs ostentatief ingestoken door OM-medewerkers, die proberen om via de publieke opinie (a.k.a. de schandpaal) slachtoffers aan het getuigen te krijgen, of getuigen aan het praten, of verdachten aan het bekennen, en daarmee ‘bewijs aan het sluiten’.

Namen

Voorzover het al de publieke zaak dient dat er iets wordt gepubliceerd inzake een justitieel onderzoek, stuit het me al helemaal tegen de borst dat de mensen over wie alleen nog maar een vermoeden van een misstap bestaat (ze zijn formeel pas verdacht als de rechter ze een rechtszaak gunt, en pas schuldig als ze veroordeeld worden) al met naam en toenaam worden genoemd.

Onschuldige familieleden van de slachtoffers worden ermee gestigmatiseerd. Reputaties gaan voor eeuwig naar de gallemiezen. Zaken gaan voor altijd naar de barrebiezen.

Het stelt me gerust dat ‘de’ journalistiek een mogelijk smeichelende ex-wethouder het vuur aan de schenen legt, maar ik hoef echt niet in de krant te lezen (of, als ik ‘m al kende, er aan herinnerd te worden) hoe die eikel ook alweer heet vóór z’n schuld ondubbelzinnig is vastgesteld.

Het doet me plaatsvervangend pijn aan m’n zakenhart om te volgen hoe er 3, 4 jaar lang – nog voor er één rechtszitting heeft plaatsgevonden - stelselmatig wordt gelekt uit het onderzoekdossier van een zakenman met het klaarblijkelijke doel om hem aan het praten te krijgen over degene die hem heeft afgeperst.

Media hàdden in Nederland een hele goeie en hanteerbare gedragscode, waarin verdachten, èn veroordeelden, in publicaties consequent alleen met hun initialen werden aangeduid. Ik zou het zeer appreciëren als ze  daarnaar terugkeren.

Beelden

Nog zoiets: Naar aanleiding van het tweede boete-vonnis tegen Peter R. de Vries, vindt Jens van den Brink het “[…] opmerkelijk dat de afweging tussen de persvrijheid en het privacyrecht(je) van Koos H. […] in het voordeel van de laatste uitviel”, en wel omdat “de zeggingskracht […] sterk [werd] vergroot door de vastgelegde mimiek van de misdadiger”.

Immers, stelt Van Den Brink: “We leven in een maatschappij waarin beeld een onmisbare rol speelt. Ook beeld wordt beschermd door de vrijheid van meningsuiting, ook als dat een beperking van iemands privacy betekent.”

Bullshit! Zolang misdaadjournalisten er niet op uit zijn om onze wets- en rechts-praktijken te herschrijven of bij te buigen, hoeven onze rechters zich niet te bemoeien met de praktijken van onze misdaadjournalisten.

Mij dunkt dat we leven in een maatschappij waarin de omgangsvormen, ook de journalistieke, alsmaar verder verruwen – en dat nimmer ten goede van die samenleving.

Gelukkig is ons rechtssysteem tot op heden nog prima opgewassen tegen persoonlijke hobby’s, vendetta’s en commerciële belangen van journalistieke avonturiers.

Laten we er in vredesnaam voor waken dat dit soort vage of vuige motieven ook maar ooit kan worden verward met ook maar één aspect van persvrijheid of vrijheid van meningsuiting. Laat iedereen zich gewoon aan de regels houden.

Van de wet en van het fatsoen. Naar de letter, en naar de geest.

29 apr 2010

Openbare terechtstelling

Peter de Vries maakte opnamen van de moordenaar Koos H. Hij betaalde de beste vriend van deze genadeloze man om hem met een verborgen camera in zijn eigen cel te bespioneren. Deze Koos H. is geen fijne man.

Dat wat hij deed en dat wat hij bekende in de uitzendingen van De Vries tart door een soort onbewogen slechtheid ieder voorstellingsvermogen. Koos H. is dan ook geen normale man (en welke lustmoordenaar is dat wel eigenlijk?) maar heeft een zieke geest waarin een totaal gebrek aan empathie en frustratie om de voorrang schreeuwen.

De opnamen van Koos H., de moordenaar in kwestie, dienen de publieke wens een keer een heuse moordenaar te zien. Die publieke fascinatie met dat wat slecht is, is een oeroude. Het slechte zichtbaar maken en het in het openbaar afstraffen diende in een tijd dat niemand kon lezen en schrijven zelfs nog een doel.

Op deze wijze werd het analfabete gemene volk er beeldend van doordrongen dat het slecht met je kon aflopen als je je niet netjes aan de regels hield. Toch was het ook in die dagen vooral de nieuwsgierigheid naar de dood en de misdadiger die de mensen naar de schandpaal of de galg dreef. Men ging niet om gesticht te worden.

Het bevredigen van de publieke nieuwsgierigheid is ook een buitengewoon eerbare en belangrijke taak die tot veel belangrijke journalistiek heeft geleid. Jens van den Brink constateert dit, hierboven en in de Volkskrant van 23 april 2010, nogmaals en terecht.

Ook zijn verdere analyse in dat artikel is juist, namelijk dat het belang dat bepaalde aspecten van die nieuwsgierigheid moeten worden bevredigd, telkens moet worden afgezet tegen het belang dat het slachtoffer heeft om onbekend te blijven.

Opmerkelijk is echter het belang dat zowel hij als De Vries hechten aan de mogelijkheid iemand in de ogen te kunnen kijken. Dat vergroot de zeggingskracht van de beelden zeer, volgens beiden. Dat is natuurlijk fijn, maar wel maar het halve antwoord.

  • Want wat doet die zeggingskracht dan?
  • Ligt de zeggingskracht erin dat wij dieper doordrongen raken van de speciale eigenschappen van mensen als Koos H. zodat we onze dochters tijdig kunnen opsluiten?
  • Zorgt de zeggingskracht er voor dat we er beter weten dan zonder die beelden dat enge mannen er ook eng uitzien?

En had het publiek horende of lezende (in plaats van kijkende naar) over deze moordenaar ook al niet haarfijn in de gaten dat Koos H. geen brave huisvader was maar een gruwelijk verknipte gek?

U mag het zeggen. Het is dezelfde vraag die de rechter zichzelf gesteld moet hebben toen Koos H. vroeg om een verbod tot uitzending van de beelden en hij dat gevraagde verbod toewees.

Daarmee perkte de rechter de journalistieke vrijheid in. Dat is altijd een precaire operatie maar wel een oude operatie die al vele malen is uitgevoerd en waarvan niemand zal ontkennen dat die moet worden uitgevoerd.

Bijzonder aan die operatie is dat de rechter altijd een waardeoordeel zal geven over de journalistieke meerwaarde en daarmee op de stoel van de journalist zal gaan zitten. Dat is nodig en nuttig en een mens kan soms wat vermoeid raken bij journalistieke krokodillentranen bij rechterlijk ingrijpen.

Maar nu verder: het tweede deel van Van den Brink’s betoog ziet op het belang waartegen het journalistieke belang door de rechter wordt afgewogen: het privacybelang van Koos H.

Van den Brink stelt dat iedereen om Koos heen toch wel weet wat hij heeft gedaan en dat hij het bovendien aan zichzelf te wijten heeft. Dat laatste is waar maar geen reden om hem boven de ter zake van dat feit door de rechter al opgelegde straf nog een keer extra te pakken.

Dat Koos H. een engerd is, is zonneklaar. Maar privacy is het recht iemand anders te zijn. Hij heeft het recht om zich binnen zijn kleine cirkel van verplegers, bewakers en medegevangen, langzaam te ontworstelen aan zichzelf. Dat doet hij door zich anders voor te doen dan dat hij is.

Zo over jezelf te liegen is geen schande, dat is een recht. Dat is de kern van wat wij privacy noemen. Die weg is door De Vries een flink stuk langer gemaakt. Koos H. zal voor een flinke tijd de Koos H. zijn zoals hij tegen zijn weinige vrienden is.

Het is gelukkig niet aan Van den Brink en De Vries om laatdunkend te oordelen over de belangen van iemand als Koos H. Dat is overgelaten aan een echte rechter en die heeft tegen onze zelfbenoemde scherprechter De Vries gezegd dat deze niet mocht uitzenden. De echte rechter bepaalde de boete op EUR 15.000,--.

De zelfbenoemde rechter maakte zijn rekensommen en vermenigvuldigde de extra publiciteit met de kijkcijfers en de extra inkomsten en trok daar de boete vanaf en kraaide: “principieel zenden we toch uit”. En zo geschiedde.

Totdat de boef weer naar de rechter ging en de dwangsom verhoogd kreeg naar EUR 500.000,--. Welnu, de meerwaarde van die exercitie is dat we nu weten hoe veel de principes van De Vries kosten: ergens tussen de EUR 15.000 en EUR 500.000,--.

In tegenstelling tot wat Van den Brink schrijft vaart de rechter hier een rechte koers. Van den Brink zegt dat in een eerder geval het publiceren van een foto met meerwaarde wel werd toegestaan.

Dat ging om een foto van Ferdi E. De meerwaarde lag er dan in dat op die foto bleek hoe koel Ferdi E. bleef toen het lijk van zijn slachtoffer werd opgegraven. Ook hier geldt dat die onverschilligheid ook wel uit de feiten zelf bleek. Groot verschil met Koos H. is dat de rechter de foto niet verbood.

Anders van Van den Brink suggereert deed de rechter dat niet vanwege de meerwaarde die die foto had, maar vanwege het feit dat er in de media meerdere foto’s circuleerden waarop Ferdi E herkenbaar was, zodat zijn belang bij het verbod van juist deze foto zeer gering was.

De Vries heeft met uitzending vooral laten zien dat zijn rekenen beter is dan zijn vermogen in te schatten waar de grens ligt tussen banaal vermaak ten koste van de privacy en echte journalistiek.

Het verbod tot uitzenden van de opnamen is gebaseerd op een verdedigbaar principe dat door de rechterlijke macht terecht consequent wordt gevolgd.
 

6 mei 2010

Naschrift Jens van den Brink

Wat voegt zeggingskracht nou eigenlijk toe, vraagt Sprey zich af in zijn reactie. Dat is een terechte vraag.

Maar wel een vraag die de Hoge Raad al heeft beantwoord. In het door de HR bekrachtigde arrest in de zaak Ferdi E. overweegt het Hof Amsterdam: “De publicatie van deze foto’s vergroot de zeggingskracht van het artikel en de foto’s hebben als zodanig een functie bij het verschaffen van nieuws en informatie aan de lezers.

De pers moet informatie verstrekken, informatie die leesbaar en relevant is. Zeggingskracht is daarvoor vitaal. In zijn noot wijst professor Schuijt er terecht op dat de Hoge Raad in het Ferdi E. arrest in feite concludeert dat “de vrijheid van meningsuiting er niet alleen is om misstanden aan de kaak te stellen, maar ook om onze nieuwsgierigheid –‘hoe ziet hij eruit’? – te bevredigen.” Je kunt het er mee eens zijn of niet, de Hoge Raad vond dit belang voorgaan op het privacybelang van Heijn moordenaar Ferdi E.

Verder stelt Sprey dat in de zaak Ferdi E. de publicatie van de foto van de dader was toegestaan omdat er al meerdere foto’s circuleerden waarop Ferdi E. herkenbaar was. En niet, zoals ik schreef, omdat de foto meerwaarde had wegens het winnen van de Zilveren Camera.

Hoe zit dat nou? Bij de beoordeling of de publicatie van deze foto onrechtmatig was wijst het Hof expliciet op het bijschrift dat Panorama bij de foto plaatste: “E. met die glazige blik, die tijdens de reconstructie van de moord op H. een shaggie stond te draaien. Hij lijkt geheel onaangedaan, maar in dat hoofd kan zich van alles afspelen.

Dat indringende beeld heeft er zoals gezegd voor gezorgd dat de foto de Zilveren Camera won. Het Hof concludeert vervolgens dat het winnen van die prijs de foto nieuwswaarde geeft, ondanks het feit dat de foto eerder in de media was verschenen. Publicatie was dus niet toegestaan omdat de foto eerder in de media was verschenen, zoals Sprey ten onrechte suggereert, maar veel meer ondanks het eerdere verschijnen in de media.

Graagkort en bondig. Kwetsende, discriminerende en/of commerciële uitlatingen worden verwijderd.
 

Nieuwsbrief ontvangen?

Ja, stuur mij de nieuwsbrief. We gaan zorgvuldig met je gegevens om. Je krijgt ook gelijk toegang tot alle plusartikelen.

Controleer nu je e-mail

Je ontvangt een bericht met instructies om je e-mailadres te bevestigen. Zonder deze bevestiging sturen we je geen nieuwsbrief, doe het dus gelijk even!

asdas sdf fs dfsdfsf sdffsd
Netkwesties © 1999/2017. Alle rechten voorbehouden. Privacyverklaring
Ehio Media content marketing
1
0
1