Zowel Willem (1897-1944) als Marinus (1900-2005) van der Goes van Naters bevrijdden zich uit het keurslijf van hun aristocratische milieu en kwamen in de ‘burgermaatschappij’ met een studie rechten. Waar Marinus direct succesvol is, voldoet Willem niet aan de verwachtingen van de voorname vader en advocaat.
Zelf heeft vaders poging voor toetreding tot de adelstand succes. De zoons kunnen dan in de biografie “De Rode en de Zwarte Jonker” heten. Vader sterft vroeg, net als de oudste zoon Aert. Moeder Cornélie Boddaert, afkomstig uit Zeeuwse adel - inclusief slavenhandel -, domineert de opvoeding.
Willem (rechts op de foto) en Marinus moeten vanuit een aristocratische achtergrond meritocratisch hun weg als individu zoeken. Beiden zijn nog lid van het Leidse studentencorps. Echter, rationeel sterke Marinus kiest dankzij studiekringen voor socialisme, overigens volgens pa “een georganiseerde poging tot diefstal”. Willem haakt daar al af, zijn loopbaan mislukt, die van Marinus verloopt goed.
Als Marinus in 1934 via de krant verneemt van de NSB-kaderfunctie van Willem, is een breuk onvermijdelijk. Immers. Marinus is eminent verdediger van de rechtsstaat en prominent lid van de SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij), vanaf 1937 ook in de Tweede Kamer. Dat leidt in 1942 tot zijn gijzeling door de nazi’s als Todeskandidat In St-Michielsgestel, Buchenwald en Vught, tot de bevrijding van Zuid-Nederland in 1944.
Ondertussen maakt broer Willem naam en ruzie in de NSB. Hij neemt deel aan de mislukte revolte van ‘zuivere’ fascisten tegen NSB-partijleider Anton Mussert in 1937, na de teleurstellende uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen (4 zetels). Willem wordt geroyeerd, en verhuist naar Zuid-Duitsland om zich voluit in het nazisme te mengen. Echter, pogingen om lid te worden van de NSDAP van Hitler mislukken alsmaar, net als voor de verwerving van een militaire rang. Tenslotte kan hij terecht bij een legertuchtraad(je) in Noord-Italië. Hij vindt in 1944 de dood.
Een opvallend detail: via de echtgenotes probeert Marinus broer Willem te bewegen om hem vrij te krijgen uit gevangenschap in Vught. Maar dit mislukt faliekant, een volgend teken van de volslagen onbetekenende positie van Willem.
Daniela Hooghiemstra kon dit alles blootleggen dankzij de gift van Willems zoon Jaap van een tiental brieven, van Willem en Marinus onderling, met hun moeder en echtgenotes. Ze verwerkt die historisch veel beter dan bijvoorbeeld Sheila Sitalsing en Onno Blom in hun bewierookte boeken over NSB-grootouders. Hooghiemstra (1967) schreef onderhoudend, in tegenstelling (volgens de recensie) de biografe van Marinus in 2018. Wel had ze een stamboompje en namenlijst voorin mogen opnemen, want – in bijna elke biografie trouwens – raak je als lezer de draad weleens kwijt. Maar het belangrijkste komt nog:
Gezin Willem van der Goes van Naters in Duitsland
Mieke von Zeppelin schenkt Willem vijf (eigen) kinderen, Marinus krijgt er vijf met Anneke van der Plaats. Echter, de broers waren, zoals we nu zouden zeggen, biseksueel, onderhouden zowel langdurige als vluchtige relaties met mannen, en stimuleren elkaar daarin. In de memoires van Marinus stond er maar één zin over: “Door psychische reacties op mijn moeder is mijn broer geëindigd aan de verkeerde kant.”
Dit behelst de benadering van Willem als meisje door moeder. Dat werd als ongeveer als oorzaak van zijn homoseksualiteit gezien, in werkelijkheid is het natuurlijk precies andersom. Dankzij de briefwisseling komt Hooghiemstra tot de seksualiteit als drijvende kracht. Marinus schrijft oudere broer Aert: “Willem wil trouwen, terwijl jij net zo goed weet als ik wat zijn aanleg is. Je weet toch dat die aanleg niet weggaat, dat komt alleen in enkele gevallen voor, een huwelijk is een volslagen ondeugdelijk geneesmiddel, en niet zelden leidt het tot zelfmoord.”
Marinus zweeg over zichzelf. Hij leek minder prominent homo, maar zijn ‘warme’ relaties met medepoliticus Herman Wiardi Beckman (‘stuuf’) en kunstenaar Pyke Koch hebben allure, net als met historicus Pieter Geyl in het kamp. Willem, op zijn beurt, verkeert in NSB-kringen met homofielen. Hij wordt in Duitsland als leraar ontslagen, wellicht vanwege seks.
Meest opvallend vind ik de soepele omgang van beide echtgenotes met het homoseksueel vreemdgaan van hun mannen, toch 80-90 jaar geleden toen dat zelfs strafbaar was. Of en hoe de vrouwen dat compenseerden komt niet aan bod. Het beeld resteert van trouwe moeders, van Mieke zelfs als fascistische naïeveling.
Dat roept – uiteraard – vraagtekens op. In m’n Rotterdamse studie ‘Mentaliteitsgeschiedenis’ leerde ik wel dat de vele vaderloze kinderen uit de Eerste Wereldoorlog Hitler als vaderfiguur adoreerden. Hooghiemstra wil vragen beantwoorden over haar – bekritiseerde – sterke nadruk op mannenliefde in fascisme. Ze zegt hierop:
“Mentaliteitsgeschiedenis is wel een goede term, die past bij mijn cultuurhistorische blik die ik eerder had met de biografie van Kees Boeke en boeken over het koningshuis. Dat realiseer me nu pas goed. De Tweede Wereldoorlog dus ook, al was het een nieuw onderwerp voor me, voorheen trok die me totaal niet.”
Echter, Hooghiemstra wilde ‘fascisme’ bestuderen en had haar onderwerp gevonden toen ze stuitte op de NSB-ruzies met deelname van ene Willem van der Goes van Naters. Daarop wilde ze weten:
“Wat trok mensen in fascisme. Het was een brede stroming, net als communisme. Na een jaar onderzoek stuitte ik pas op die homoseksualiteit. Dat paste perfect in cultuurhistorisch onderzoek, net als het adellijke gezin.”
Maar waarom dan zo verschillende keuzes?
“Ze ervaren eigenlijk allebei dezelfde conflict met afkomst en burgerlijkheid, en met seksuele oriëntatie, en lossen dat beiden op met een ideologie. Dat is de overeenkomst. Marinus is echter rationeler, en Willem valt voor een mannenideaal.”
Dus grotendeels gelijke ‘nature’ (homo), ‘nurture’ (adel) maar verschillende sociale omgevingen als bronnen. Maar dan, is er een vrije wil? Had Marinus kunnen vallen voor fascisme, Willem een ‘goede’ keuze kunnen maken. Hooghiemstra vermijdt die vragen liever. Als historicus beschrijft ze gebeurtenissen, en ze gaat al ver in het opvoeren van de ‘mannenbroederschap’ als doorslaggevende drijfveer voor de gemaakte politieke keuze.
“Behalve met dat adeldom kregen ze een extra probleem in zedelijk opzicht, dat niet in die burgersamenleving paste. Zowel socialisme als fascisme waren alternatieven voor dat burgerdom. De intelligentere broer koos sociaaldemocratie, de romantische voor nationaalsocialisme.”
Maar, plat gezegd, als homoseksualiteit keuze voor fascisme mede bepaalt, kun je dan ook Rob Jetten of wellicht Mark Rutte voor een “eigen (mannen)volk eerst” verleiden? Hooghiemstra:
“Dat is een misverstand dat ook Jaap Cohen suggereert [in de Groene]. Ik beschrijf een specifiek geval, geen wetmatigheid. Juist het karakterverschil tussen Marinus en Willem is zo belangrijk. Willem was weerlozer dan zijn broer, Marinus veel gewiekster en strategischer.”
Zoals een historicus betaamt, overheerste bij Daniela aanvankelijk twijfel over Willem: “Een half jaar dacht ik: kan ik over deze man zinnig schrijven? Ik snapte hem aanvankelijk niet.” Dus de homo-erotiek haalde die deur van het slot. Dat Willem zelfs aan z’n einde kwam door seksualiteit, met wellicht afgedwongen zelfmoord, is vervolgens een aanname vanuit de brieven van echtgenote en broer.
Te vaak wordt onderschat, heden ten dage weer, dat extreemrechts veel meer op gevoel werkt dan op ratio. Vandaar dat het journaille er maar niet in slaagt om er een vinger achter te krijgen, bijvoorbeeld met asielwetten. Hooghiemstra toont juist uitstekend hoezeer gevoel de keuze voor fascisme bepaalt.
Kun je ook stellen dat Willem een loser was, zoals zovelen die toen en nu voor extreemrechts kiezen?
“Ja, zeker, eigenlijk een zielenpoot, dat hij zo graag erbij wilde horen en dat niet lukte. Toen kon ik ineens dat antisemitisme plaatsen.”
Hooghiemstra trof in de versie van Mein Kampf van Jonker Willem vele antisemitische passages door hem onderstreept. Toch zegt ze:
“Waarschijnlijk haatte hij niet eens die Joodse mensen, maar hij had gewoon iets nodig om zich als man tegen af te zetten.”
Dat is best een discutabele uitspraak. Hooghiemstra benadrukt - volgens mij terecht - dat een biografie vereist dat je je in een persoon en diens keuzes volledig kunt verplaatsen. Ze meent ook: “Willem was verder een aardige man en vader, misschien wel aardiger dan Marinus. Maar niet iemand die succes had…”
*) Zie ook:
Interview HP/De Tijd
Interview Trouw
**) Daniela Hooghiemstra, De rode en de zwarte jonker. De oorlog van de broers Willem en Marinus van der Goes van Naters, 2026, bij uitgeverij Balans.
***) Afbeelding geheel boven: Willem (links) en Marinus
In hetzelfde weekend van de publicatie van dit artikel bij Netkwesties en VersTwee.nl verscheen in Volkskrant Magazine een artikel van Judith Koelemeijer over een liefdesrelaties van Herman Wiardi Beckman met Annekee van Oldenborgh-Van der Sande, vrouw van zijn vriend en huisarts Willem van Oldenborgh. Plaatst dit de nadruk van Daniela Hooghiemstra op de homofiele relaties van Marinus van der Goes van Naters, mogelijk ook met Wiardi Beckman (1903-1945, bijnaam ‘Stuuf’ vanwege stijve bovenlip) in een ander daglicht?
Daarnaar gevraagd wijst Hooghiemstra op een eerder op LinkedIn geplaatste correctie op het boek: “Een misverstand in mijn boek ‘De rode en de zwarte jonker’ wil ik hierbij graag uit de weg ruimen. Uit onderstaande passage in het boek van Frans en Tamara Becker ‘In dienst van Hare Majesteit’ maakte ik op dat Herman Wiardi Beckman (‘Stuuf’) tijdens de oorlog een buitenechtelijke verhouding kreeg met Joris in ‘t Veld, een dierbare vriend van hem, die in deze passage wordt beschreven. Uit nieuwe informatie blijkt dat de verhouding een ander persoon betrof, van wie de auteurs de identiteit destijds niet bekend wilden maken.
Dat de grens tussen vriendschap, liefde en erotiek vloeibaar was, heb ik in mijn boek beschreven, maar voor een verhouding tussen Wiardi Beckman en In ‘t Veld zijn dus geen aanwijzingen. Met wie Stuuf wel een verhouding kreeg, blijft voorlopig geheim, en doet voor mijn verhaal verder ook niet terzake.”
Die buitenechtelijke verhouding was er wel, maar helemaal niet met een man maar met een vrouw, en intens. De vraag is of Hooghiemstra niet te veel speculeert over seksuele relaties van Marinus van der Goes van Naters, in dit geval met Wiardi Beckman. Ging het niet veeleer om diepe vriendschappen? En zet dit de geloofwaardigheid van het boek, met de sterke rol van homoseksualiteit in politieke keuzes van mannen, op het spel?
Hooghiemstra vindt van niet: “Ik geloof niet dat Stuuf ‘homofiel’ was en beweer dat in mijn boek ook niet. Ik maak juist expliciet dat hun vriendschap voor Marinus destijds anders was dan voor de meer ethisch-christelijke Stuuf. Ik citeer ook een brief waarin Stuuf zegt dat Marinus in dat opzicht anders in elkaar zit dan hij.”
In haar boek stelt Hooghiemstra niettemin: “Willem en Marinus hielden allebei meer van een jongen dan van enig meisje. Willem had Engelbert, Marinus had eerst Pyke en daarna Stuuf. Ze cultiveerden hun vriendschappen als buitengewoon, uniek en symbiotisch, maar zij noemden zichzelf niet ‘homoseksueel’.
Die term, in 1869 gemunt door de Oostenrijkse journalist Karl Maria Kertbeny, had nog niet de alomvattende betekenis die hij later zou krijgen. Seks was een daad, geen identiteit. Homoseksualiteit werd niet gezien als een eigenschap, maar als een tijdelijke zinsbegoocheling, of, als het niet overging, als een geestelijke dan wel biologische afwijking…
Marinus en Stuuf vroegen zich allebei af hoe zij de gevoelige romanticus in zichzelf moesten verenigen met de bedachtzame strateeg, en hoe de zachte poëet zich moest verhouden tot de harde realist. Maar vooral hoe ze de liefde voor elkaar moesten combineren met die voor een vrouw.”