Honderden journalisten vertrekken, complete redacties verdwijnen waaronder sport, boeken, buitenlandse bureaus. Voor velen staat meer op het spel dan banen alleen: een pijler onder de democratie wordt weggezaagd. Dat sentiment wordt krachtig verwoord door Peggy Noonan in The Wall Street Journal, waar zij de neergang van de krant beschrijft als een nationaal verlies dat de democratische waakfunctie van de pers aantast.
Noonan grijpt terug op de icoon waar volgens haar de VS voor staat: Thomas Jefferson. Hij stelde in 1787 liever kranten zonder regering te hebben dan een regering zonder kranten. Journalistiek als bescherming tegen machtsmisbruik, als collectief zintuig. Noonan:
“And this will have an impact on our democracy. Why is the end of a great newspaper not good for democracy? Let’s journey back to Thomas Jefferson, in Paris in 1787, as American minister to France. Back home they were debating the U.S. Constitution. In a letter dated Jan. 16 to his friend Edward Carrington, a member of the Continental Congress, his thoughts: “Were it left to me to decide whether we should have a government without newspapers, or newspapers without a government, I should not hesitate a moment to prefer the latter.” He wasn’t being flip. He understood journalism was a defense against tyranny.”
Europese Pavlov-reacties
Vanuit dat perspectief voelt het verdwijnen van een grote, breed opererende krant in Washington als een existentiële dreiging: wie controleert nog het centrum van de macht?
Ook in Nederland liet men zich niet ongehoord. Ex-NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch wijst Jeff Bezos aan als grote schuldige. The Guardian gaat nog veel verder in een opiniestuk “As goes the Washington Post: US democracy takes another hit under Trump” van Ed Pilkington en Jeremy Barr. Daar wordt Jeff Bezos neergezet als een ‘bijltjesman’ die zich buigt naar Trump. En vanzelfsprekend wordt daar van alles bijgehaald, inlcusief de documantaire ‘Melania’ van Amazon.
Ook reposte Yoeri Albrecht : “Bezos could retrieve something from the disaster of his ownership of the @washingtonpost by emulating the Scott family (owners of the Manchester Guardian) in 1932. Give the paper away and endow it with, say, $1.5 bn. And have an independent trust run it in the public interest.”
(Dit is overigens dezelfde Yoeri Albrecht die in 2010 zei dat Veronica het ANP nooit van de hand zou doen om even later het aan Talpa te verkopen.)
Het frame van rampspoed voor democratie en boze Jeff Bezos die niet eindeloos wil bijstorten domineerde de eerste reacties vanuit gevestigde media, journalisten en activisten. Op sociale media spraken zij over een ‘bloodbath’ en een aanval op de democratie. De slogan van de krant ‘Democracy Dies in Darkness’ werd het rouwlint onder de ontslagen. Het narratief: de markt faalt, Big Tech rooft advertentie-inkomsten, en zonder massale steun van vermogende eigenaren of de staat verdwijnt kwaliteitsjournalistiek. Het is in de VS niet anders als hier.
Snob-mentaliteit
Maar dit is niet het hele verhaal. Een scherp contrasterende analyse van Jenny Holland verscheen bij Spiked, waar de ontslagen juist worden gezien als een onvermijdelijke correctie na jaren van journalistieke en zakelijke zelfmisleiding. Volgens dit perspectief is niet alleen het verdienmodel ingestort, maar ook de redactionele aansluiting van Washington Post bij het publiek. De krant zou zich hebben laten meeslepen door een moreel verheven, maar commercieel desastreuze agenda, waarin niche-onderwerpen en ideologische zelfbevestiging belangrijker werden dan relevantie en bereik.
Dit debat raakt een gevoelige snaar, is dus ongemakkelijk. Sinds de overname door Jeff Bezos in 2013 werd de krant jarenlang kunstmatig op de been gehouden met miljoeneninvesteringen in internationale expansie, nieuwe formats, video, podcasts en prestigeprojecten. Wat in de newsroom werd ervaren als een gouden tijd, was in feite een uitzonderlijke situatie: een miljardair die structurele verliezen accepteerde.
Zoals voormalig Post-journalist Katherine Boyle opmerkte op X, creëerde die periode een generatie redacteuren en verslaggevers die nooit hoefde na te denken over de economische realiteit van journalistiek. De krant werd breder, duurder en diffuser, terwijl haar natuurlijke kracht – de verslaggeving van macht en politiek in Washington – verwaterde. Sport verloor ze aan gespecialiseerde platforms, internationale berichtgeving aan The New York Times. Wat resteerde was een kostbaar, breed opgezet instituut zonder scherp profiel en zonder duurzaam publiek.
Die zelfgenoegzaamheid
Het Amerikaanse ‘The Babylon Bee’ schreef een satirisch opiniestuk waarin het melodrama scherp wordt verwoord:
“Laid-off journalists reportedly took to the streets to cry in the corners of cafes, subways, and social media platforms. In a post on X, former culture reporter Diane Keurig described an incident where she was crying on the street, and three people came to comfort her. "I told them Stephen Spielberg made a movie about us. Doesn't that mean anything? But they had no idea what I was talking about."
Het klassieke model van de allesomvattende krant is al twintig jaar in verval. Internet, sociale media, Substack, podcasts en nu ook AI hebben het monopolie op informatie en duiding definitief doorbroken. Dat is geen ideologische strijd, maar een structurele verschuiving. Wie dat negeert en zich uitsluitend beroept op historische grandeur, mist het punt.
Betekent dit dat Noonan ongelijk heeft en dat de democratie weinig te vrezen heeft? Niet helemaal. Haar kernpunt – dat professionele journalistiek tijd, training en instituties vereist – blijft valide. Onderzoeksjournalistiek ontstaat niet vanzelf in een gefragmenteerd ecosysteem van individuele makers. Daar zijn redacties, cultuur en continuïteit voor nodig. De verdwijning daarvan verarmt het publieke debat.
Maar het omgekeerde is ook waar: journalistiek die zich afsluit van haar publiek, die morele superioriteit verwart met maatschappelijke relevantie, ondergraaft haar eigen bestaansrecht. Democratie sterft niet alleen in duisternis, maar ook in zelfgenoegzaamheid. Het idee dat elk verlies van een traditionele redactie automatisch een democratisch deficit oplevert, miskent dat informatievoorziening inmiddels langs vele andere kanalen loopt – soms rommelig, soms luidruchtig, maar niet per definitie minder pluralistisch.
Geen complot, maar realiteit
De crisis bij The Washington Post laat daarmee iets zien wat breder geldt voor de media, ook dichter bij huis. Niet elke bezuiniging is een aanval op de democratie. Niet elke reorganisatie een complot van macht en geld. Soms is het een late erkenning dat een model niet meer past bij de werkelijkheid.
De vraag is dus niet of we journalistiek nodig hebben – dat antwoord is evident ja – maar: welke journalistiek, met welk profiel en voor welk publiek? De Post kan, zoals Boyle stelt, nog steeds een cruciale rol spelen door zich te concentreren op waar zij uniek in is: de verslaggeving van Amerikaanse macht vanuit Washington. Dat vraagt focus, discipline en een herijking van ambities, niet nostalgie.
Misschien is dat de ongemakkelijke les van deze ontslagen. De oude Post, zoals Peggy Noonan die oproept, is al lang verdwenen – niet door één eigenaar of één ideologische golf, maar doordat de wereld sneller veranderde dan het instituut kon bijbenen. De democratie zal dat overleven. De journalistiek waarschijnlijk ook, maar alleen als zij bereid is haar eigen mythen net zo kritisch te onderzoeken als de macht die zij zegt te controleren.
Het meest veelzeggende detail in Noonan’s betoog is dan ook dat zij moet teruggrijpen op een brief uit 1787. Thomas Jefferson, ganzenveer in de hand, in een wereld zonder elektriciteit, massamedia, internet of algoritmes. Het is een krachtig citaat, maar tegelijk een historisch anker dat verraadt hoezeer het referentiekader is vastgelopen. Wie vandaag de democratie wil verdedigen, zal andere voorbeelden moeten vinden dan de krant als vanzelfsprekend middelpunt van het publieke leven. De waakhondfunctie bestaat nog, maar zij heeft andere vormen, andere dragers en andere spanningen gekregen. Zolang het debat blijft steken in wat journalistiek ooit was, blijft onzichtbaar wat zij in deze tijd zou kunnen – en misschien wel móéten – zijn.
Eeuwige dankbaarheid
De ongemakkelijke eindconclusie is dan ook niet dat The Washington Post de journalistiek heeft verlaten. Integendeel. Het probleem is dat goede journalistiek alleen, hoe onmisbaar ook, niet langer per definitie een houdbaar bedrijfsmodel vormt. De tijd waarin kwaliteit vanzelf schaal, bereik en inkomsten genereerde, ligt definitief achter ons.
Zonder twijfel is dit ook een les voor filantropen die menen er verstandig of zelfs ‘goed’ aan te doen een journalistieke mediaorganisatie over te nemen. Verwacht niet dat hier de gebruikelijke wetten van het bedrijfsleven gelden of eeuwige dankbaarheid. Wie zo’n stap zet, moet erop voorbereid zijn dat de ‘goede daad’ zich tegen hen kan keren, zodra men niet bereid is – zonder voorwaarden – structurele verliezen te accepteren, of een andere mening heeft of initiatieven ontplooit die niet de zegen van de redactie dragen.