De principes van de journalistiek zijn gericht op waarheidsvinding, controleerbaarheid en wederhoor. “Actie” en verandering of mobilisatie staan niet op dat lijstje, hoewel een motief voor journalistiek wel kan zijn het nastreven van verbetering in de samenleving.
Maar in een discussie over actiejournalistiek gaat het niet over morele intentie. Het gaat erom dat journalistiek haar legitimiteit verliest.
De journalist vervult in de democratische samenleving een rol als waarheidszoeker namens het publiek. Die rol brengt geloofwaardigheid met zich mee en een soort gezag. Dat kan niet tijdelijk worden afgelegd zonder dat de legitimiteit van het werk verandert.
Maar objectieve journalistiek bestaat toch niet, en iedere journalist heeft sowieso een mening en een voorkeur die keuzes bepalen?
Klopt.
Maar ook al is objectiviteit niet mogelijk, dit betekent niet dat een journalist de norm kan afleggen.
Objectiviteit is een opgave – en een norm – waaraan journalistiek zich bindt, ook al weet de journalist dat volledige objectiviteit onhaalbaar is.
Subjectiviteit is een onvermijdelijk risico. Daarom heeft de journalistiek correctiemechanismen en – in laatste instantie – externe toetsing, zoals de rechter.
Transparantie heft het probleem niet op. Als je vooraf duidelijk maakt waarom en hoe je actie voert, maakt dat de journalist niet onpartijdig. Het probleem zit niet in geheimhouding, maar in het vooraf weten waar het verhaal op moet uitkomen.
Een rechter die erkent partijdig te zijn, kan geen rechter zijn.
Een journalist die zich vooraf bindt aan een actiedoel en het werk daaraan ondergeschikt maakt, doet iets anders dan journalistiek.
Juist in deze wereld waar narratieven botsen en de waarheid in een niemandsland ligt. Juist in deze versnipperde digitale wereld is het belangrijk om de journalistieke norm te handhaven.
Zelfs de werkelijkheid die op video is vastgelegd over het doodschieten van een demonstrant in Minneapolis wordt in onze digitale werkelijkheid verdeeld in twee werkelijkheden.
In onze gefragmenteerde wereld versnelt actiejournalistiek de fragmentatie.
Maar: in de Tweede Wereldoorlog waren er toch journalisten bij de verzetskranten?
Klopt.
Die journalisten deden in principe hun werk. Whataboutism en neutraal zijn was geen optie, maar dat is het ook nu niet. Als het buiten regent en een belangrijke politicus beweert van niet, dan moet een journalist dit vaststellen en rapporteren dat het wel degelijk regent.
In de Tweede Wereldoorlog zou neutraliteit medeplichtigheid zijn geweest.
Zo zou je dat soms ook kunnen zeggen als media berichten over Israël en de bezette gebieden. Met name als ze twee partijen aan het woord laten over bezette gebieden, en niet aan de orde stellen dat bezette gebieden inderdaad bezet zijn en nederzettingen illegaal zijn.
De feitelijke (en juridische) werkelijkheid is geen mening. Vaststellen dat gebieden bezet zijn en nederzettingen in strijd met het internationaal recht, is geen activisme, maar feitelijkheid. Dat is geen vooraf ingenomen uitkomst, maar het journalistieke basismateriaal.
De journalisten in het verzet verbonden zich aan een morele grens. Dat geldt in mijn ogen voor alle journalistiek. Het is negatief begrensd, niet positief doelgericht.
Pas als waarheidsvinding structureel onmogelijk is en neutraliteit feitelijk medeplichtigheid wordt, zijn er geen journalistieke routes meer om je werk te doen. Journalistiek is dan geen zoektocht meer.
In zulke omstandigheden wordt journalistiek verzet een morele keuze. Maar het is geen vorm van journalistiek meer. Het klinkt dramatisch, maar dat is het einde van de journalistiek als zoektocht naar de waarheid.
*) Wim van de Pol is een ervaren onderzoeksjournalist die publiceert via Crimesite.nl. Dit artikel verscheen eerst op zijn Substack, Zijwegen geheten, waarop abonneren van harte aanbevolen is.
**) Beeld: Eric Smit bij Wilfred Genee voor BNR over zijn actie. (YouTube)