Museum draagt niets bij aan nationale normen en waarden

Een fysiek historisch museum? Nee, digitaal!

Het kabinet wil meer aandacht geven aan ‘onze gezamenlijke geschiedenis’, in de vorm van een fysiek museum. Geen goed idee, betogen Jan Bank, Gijsbert van Es, Geert Mak, Piet de Rooij en René van Stipriaan. Zorg voor digitale toegang tot historische bronnen.

De oprichting van een Nationaal Historisch Museum is terug op de politieke agenda. Het staat in het coalitieakkoord van het kabinet-Rutte IV. In mei 2006 waren het de fractieleiders van CDA en SP in de Tweede Kamer, Verhagen en Marijnissen, die in Trouw een pleidooi voor zo’n museum hielden, met daarboven de alarmerende kop: Red ons historisch besef.

De afloop is bekend. Zes steden voerden een naargeestige strijd om dit nationale museum binnen te halen. In een poging de vaart erin te houden, opende de eerste museumdirectie in 2011 alvast een tijdelijke vestiging in een leegstaande Amsterdamse kerk, waarvan de deuren in datzelfde jaar alweer dicht gingen.

Tien jaar na dit museumdebacle meldt het coalitieakkoord: ‘We willen meer aandacht geven aan onze gezamenlijke geschiedenis. Daarom draagt het Rijk bij aan een Nationaal Historisch Museum.’

‘Gezamenlijke geschiedenis’ – verwijst dit naar historisch besef, of naar nationaal bewustzijn? Dat zijn twee compleet verschillende perspectieven. Historisch besef ontwikkelt zich voortdurend. ‘De geschiedenis’ is een discussie zonder einde, zo niet een confrontatie tussen vaak zeer tegenstrijdige opvattingen.

Nationaal bewustzijn is iets heel anders. Dat komt voort uit de wens een eigen ‘identiteit’ te construeren voor de (nu) 17 miljoen Nederlanders. Vanaf de Batavieren zouden ‘wij’ iets met elkaar hebben, wat we niet delen met onze buren. Het is een verhaal dat insluit én uitsluit.

Waarom een museum?

De vraag dringt zich op: welk probleem moet zo’n museum eigenlijk oplossen? Een begin van een antwoord is te vinden bij het CDA en de SP. Net als in 2006 vormen deze partijen de motor achter het huidige museumplan. Wat drijft deze partijen?

‘Wij gaan in Nederland te nonchalant om met onze geschiedenis’, stelde CDA-fractieleider Pieter Heerma in februari 2020 op de website van zijn partij: ‘Juist door kennis van onze gezamenlijke geschiedenis zullen we de nationale verbondenheid meer gaan ervaren, dit kan bij uitstek verbindend werken in een tijd van versplintering en polarisatie. [...] Kennis van en inzicht in gedeelde waarden en normen zijn niet los te zien van de geschiedenis die ons heeft voortgebracht.’

Is dát inderdaad het hogere doel: gerichte actie tégen polarisatie en vóór nationale normen en waarden? Dan is een museum bij uitstek niet het geëigende middel om aan burgerschapsvorming te doen. Het verleden van Nederland vertoont immers nauwelijks gedeelde normen en waarden.

Dat is een mythe die dominante groepen in de samenleving uitdragen, onder aanroeping van clichés als ‘tolerantie’ en ‘de strijd tegen het water’. Gevoelens van nationale trots, van ‘Oranjegevoel’, horen eerder bij overwinningen van Nederlandse sporters dan bij het ‘vaderlands verleden’.

Kennelijk liggen er nu extra miljoenen klaar om meer aandacht te schenken aan het verleden van de huidige natie. Dat getuigt weliswaar van een prijzenswaardige ambitie, maar de vraag is: moet dit geld per se naar één museum gaan, in één gebouw, of zijn andere opties denkbaar?

Museum zonder materiaal

Een museum is op zichzelf een prachtinstituut, voor het tonen van kunst en/of erfgoed. Bij erfgoed staan objecten borg voor ‘historische sensatie’. Historische topstukken zijn te vinden in alle regio’s van het land. Dit sluit naadloos aan bij het gewestelijke en stedelijke karakter van de Nederlandse geschiedenis.

Er is bovendien een Rijksmuseum in Amsterdam, dat officieel een nationale, historische taak en afdeling kent. Er is een Openlucht Museum in Arnhem, dat de historische canon van Nederland verbeeldt. Daarnaast zijn er talloze ‘plaatsen van herinnering’, zoals Slot Loevestein, het Prinsenhof in Delft en Kamp Westerbork.

Een apart Nationaal Historisch Museum zal het zonder dergelijk materieel erfgoed moeten stellen. Andere instellingen zullen niet geneigd zijn hun topstukken ter beschikking te stellen. Ze staan immers onder zware druk meer eigen inkomsten – en dus bezoekers – binnen te halen; een geamputeerde collectie helpt daarbij niet.

Het Nederlandse erfgoed wordt alom met toewijding beheerd en getoond. Biedt dat te weinig prestige aan politici die willen scoren met één nationaal museum? Terwijl het geschiedenisonderwijs, dankzij diezelfde politiek, decennialang stelselmatig is uitgekleed en verwaterd. Onder nieuwe generaties Nederlanders ontbreekt historisch besef hierdoor vrijwel. Een bezoek aan een Nationaal Historisch Museum kan niet repareren wat in het onderwijs is misgegaan.

Het is een beproefd recept om problemen te maskeren: we bouwen ‘iets nieuws’, een Potemkin-façade, waarachter de verwaarlozing kan voortwoekeren.

Digitaal toegankelijk

Het oprichten van een Nationaal Historisch Museum is een idee dat teruggrijpt naar de 19de eeuw, terwijl een 21ste eeuwse oplossing voor het grijpen ligt. Dat is: digitale toegang tot alle denkbare historische bronnen, in tekst, beeld en geluid. Het fundament hiervoor is al gelegd: CanonvanNederland.nl. Het is allemaal nog te weinig wat deze website te bieden heeft, en te statisch van inhoud.

Het woord ‘canon’ begint ook versleten te raken, omdat het te veel de sacrale geur van wierook verspreidt. Er valt nog een wereld te winnen om verschillende doelgroepen, afhankelijk van hun voorkennis en belangstelling, te bereiken en soepel te laten navigeren. Dit zijn oplosbare problemen, die minder kosten dan een in stenen gegoten museumgebouw.

Zo’n overkoepelende website kan een tweede leven geven aan bronnen die nu bij erfgoedinstellingen digitaal liggen te verstoffen. Honderden miljoenen zijn geïnvesteerd in de digitalisering van het omroeparchief, door Beeld en Geluid in Hilversum, maar het is nog altijd niet publiekelijk toegankelijk, zelfs niet tegen betaling.

Gedigitaliseerde collecties van musea, archieven en bibliotheken zijn over het algemeen los zand: matig doorzoekbaar en vaak zonder context getoond. Hiermee zijn wel degelijk aansprekende, verdiepende en ‘geanimeerde’ producties te maken, om te tonen in klaslokalen, in collegezalen, in openbare bibliotheken, en thuis op ieder gewenst beeldscherm.

Een dergelijke virtuele collectie laat zich op verschillende manieren toegankelijk maken, via tijdlijnen, topografische kaarten en uiteenlopende thema’s, voor kinderen op de basisschool tot en met ouderen die hun eigen familiegeschiedenis willen napluizen. Het kan een historische wonderkamer worden, die het bekende laat vinden, maar vooral ook de verrassing van het onbekende te bieden heeft.

Breng de geschiedenis naar álle Nederlanders, in plaats van Nederlanders naar één gebouw. En bespaar ons een herhaling van de nationale museumoperette van tien jaar geleden.

*) Jan Bank, Gijsbert van Es, Geert Mak, Piet de Rooij en René van Stipriaan schreven in 2008 het boek Verleden van Nederland, waarvan ook een tv-serie en dvd’s voor onderwijs/inburgering gemaakt werden. In 2021 verscheen een nieuwe editie. Dit opinieartikel verscheen eerder in NRC.

Gepubliceerd

12 jun 2022

Registreren en de nieuwsbrief ontvangen?

We gaan zorgvuldig met je gegevens om. Je krijgt ook gelijk toegang tot alle plusartikelen en je kunt reageren op de artikelen.

asdas sdf fs dfsdfsf sdffsd

Netkwesties © 1999/2020. Alle rechten voorbehouden. Privacyverklaring

Ehio Media content marketing
1
0
1