Zonder discussie heeft de Tweede Kamer begin deze maand het wetsvoorstel 'Vorderen Gegegevens Telecommunicatie' goedgekeurd. Alle 40.000 opsporingsambtenaren van Nederland mogen daardoor vrijuit snuffelen in de adres-databases van internet- en telefoonaanbieders.
Dat is handig om even op te kunnen zoeken wie bij welk nummer en e-mail adres hoort, of omgekeerd.
Ook kan dat zonder concrete verdenking tegen een specifieke persoon, want dat is maar lastig voor de opspoorders als ze net beginnen met het onderzoek naar een misdrijf.
Tot nog toe was deze bevoegdheid voorbehouden aan de 500 Officieren van Justitie (OvJ's). En ook zij krijgen een flinke upgrade. Voor het opvragen van verkeersgegevens hebben ze geen handtekening meer nodig van een rechter-commissaris. Alle OvJ's mogen opvragen wie met wie heeft ge-emaild en gechat, welke websites iemand heeft bezocht en waar diens mobieltje was.
Althans, de wet geeft niet aan om welke verkeersgegevens het gaat. In reactie op vragen uit de Kamer antwoordde toenmalig minister Korthals dat het gaat om informatie over het verkeer en dus niet om de inhoud. Ons parlement vond dat kennelijk helder genoeg en laat het verder over aan ambtenaren om de details vast te stellen in algemene maatregelen van bestuur. Regelgeving die dus niet meer door het parlement wordt getoetst.
Ik ben nog steeds verbaasd over het gemak waarmee dit wetje door de Kamer is geloodst. De geruststellend bedoelde uitleg van Korthals over de geringe inhoudelijke betekenis van verkeersgegevens bezorgt mij persoonlijk koud kippevel:
"[Verkeersgegevens] kunnen niet alleen inzicht verschaffen in het relatienetwerk van een gebruiker, maar kunnen . bijvoorbeeld als het gaat om verkeersgegevens in het kader van internet tevens inzicht verschaffen in de belangstellingssfeer en het zoekgedrag van de gebruiker van telecommunicatie. Het gaat hierbij echter niet om de inhoud van vertrouwelijke communicatie."
...de belangstellingssfeer en het zoekgedrag...
Als je informatie zoekt via bijvoorbeeld Google, worden je zoektermen onderdeel van de URL. Het zou wel heel toevallig zijn als daar geen vertrouwelijke informatie tussenzat. Dit soort informatie is wat mij betreft even gevoelig als de leengeschiedenis bij een bibliotheek.
En zou dus even goed moeten worden beschermd tegen misbruik en willekeur, met verplichte machtiging van een rechter-commissaris, notificatieplicht na afloop van een onderzoek en een algemene jaarlijkse effectiviteitsrapportage.
Als ik weet dat mijn surfgedrag naderhand geanalyseerd kan worden, zal ik op voorhand goed moeten nadenken voor ik doorklik. En dat is geen overbodige luxe in een land waar christen-fundamentalisten als serieuze regeringskandidaten worden beschouwd.
Op 1 punt is de minister de critici van dit voorstel tegemoet gekomen; gegevens mogen niet meer worden opgevraagd voor 'verkennend onderzoek'.
Dat wil zeggen; niet zomaar om een groep mensen te onderzoeken, zonder aanleiding van een misdrijf. Er moet wel een aanleiding zijn, en bovendien moet er proces-verbaal worden opgemaakt van elke gegevensbevraging. Maar zelfs daar maakt de minister nog een voorbehoud:
"Hierbij kan worden opgemerkt dat dit bij een toenemend gebruik van internet en het mobiel gebruik van internet in de toekomst wellicht weer anders gewaardeerd moet worden."
Liep Nederland niet in de voorhoede van mobiel en internetgebruik? Hoe ver moet
het gebruik nog toenemen om de laatste restjes controle op te kunnen heffen?
Wetten komen traag tot stand. En daar is een goede reden voor. Ze horen ook
lang mee te gaan. De besluitvorming in een democratisch parlement blijft lastig,
hoe zeer de haviken ook de wind mee hebben. Door steeds vaker stilzwijgend
vage raamwetten goed te keuren, speelt het parlement een gevaarlijk beleggingsspel
Als burger weet je dan èèn ding zeker: Behaalde resultaten uit het verleden
bieden geen enkele garantie voor de toekomst.