PRIVACY ONDERGESCHIKT AAN OPSPORING ZWARE MISDAAD
Mensen geven niets om privacy, wordt vaak gezegd. "Ze hebben liever vliegmijlen, bonuskaarten en toegang tot spannende weblocaties dan bescherming van persoonsgegevens," omschrijven de wetenschappelijk onderzoekers dr. Bert-Jaap Koops en dr. Anton Vedder van de Katholieke Universiteit Brabant de populaire opvatting dat privacy dood is in hun onderzoek ‘Opsporing versus privacy: de beleving van burgers’. Maar is dat wel zo, wilde het duo weten.
Om een antwoord op die vraag te krijgen stuurden de onderzoekers 1200 uitgebreide vragenlijsten naar inwoners van Nederland. De vragen, die allemaal betrekking hadden op privacy in opsporingssituaties, waren concreet en uitgebreid om te voorkomen dat de respondenten "theoretische of sociaal wenselijke" antwoorden gaven.
Er werden vragen gesteld over het koppelen van gegevens, afluisteren, camera-observatie en het doorzoeken van woningen. Telkens werd een concrete situatie geschetst: is het afluisteren van een verdachte van een zwaar misdrijf door de politie geoorloofd? Of: Mogen particuliere beveiligingsdiensten een woning doorzoeken bij de handhaving van de openbare orde?
De 264 mensen die de vragenlijst invulden vinden privacy wel degelijk belangrijk, zo blijkt uit de antwoorden. Maar ook criminaliteitsbestrijding heeft een hoge prioriteit voor de deelnemers aan het onderzoek. Als het gaat om de opsporing van zware misdrijven mag de politie veel. 94 Procent van de respondenten vindt dat de politie woningen mag doorzoeken en 93 procent vindt cameratoezicht geoorloofd. Of de privacy van derden wordt geschonden vindt men niet van belang.
Voor particuliere beveiligingsdiensten zijn de deelnemers veel strenger. 55 Procent vindt dat particuliere bewakers camera’s mogen gebruiken voor de opsporing van een zwaar misdrijf. Een woning doorzoeken om de openbare orde te handhaven vindt 21 procent geoorloofd als het door een particulier bedrijf gebeurt, terwijl 53 procent geen bezwaar maakt als de politie dat doet.
Behalve tussen de uitvoerders maken de deelnemers ook een verschil tussen het doel. Voor de opsporing van zware misdrijven is veel meer geoorloofd, vinden ze, dan voor de opsporing van lichtere vergrijpen. In 70 procent van de situaties wordt geoordeeld dat de inzet van afluister- en andere privacyschendende middelen geoorloofd is tegenover minder dan de helft (46-48 procent) wanneer er sprake is van lichte misdrijven, naleving van wetgeving of de handhaving van de openbare orde.
Ook het opsporingsmiddel is belangrijk. In bijna tweederde van de situaties wordt het natrekken en koppelen van gegevens en het plaatsen van camera’s geoorloofd geacht. Het doorzoeken van woningen en het afluisteren (van telefoon of internet) stuit op veel meer weerstand. In meer dan de helft van de situaties wordt het doorzoeken van woningen niet goedgekeurd. Afluisteren wordt zelfs in meer dan 60 procent van de gevallen niet geoorloofd geacht.
Bert-Jaap Koops en Anton Vedder: Opsporing versus privacy: de beleving van burgers. IteR-reeks nr. 45. Den Haag: Sdu Uitgevers, 2001. ISBN 90 12093 430. Prijs ca. 55 gulden. (Verschijnt 9 november.)
Zie ook: Interview met Bert-Jaap Koops en Anton Vedder.
[MJK, 1 november 2001]