OP ZOEK NAAR DE INTERNETGENERATIE
Kinderen zitten al op jonge leeftijd vele uren per dagen te internetten. Worden die kinderen daardoor andere mensen? En krijgen we daardoor ook een andere samenleving? Enkele onderzoeksresultaten en visies op een rij.
Daphe was nog geen zes maanden oud toen ze voor het eerst naar de afstandsbediening van de tv greep. Op haar derde jaar tikte ze al e-mails als 'mmmmmmmmm' en '58nzfjk89sgaklzmv' en wist ze de [BACKSPACE]-toets al te vinden. Ze was dertien jaar toen haar ouders besloten een Volvo te kopen op basis van de veiligheidsstatistieken die ze van internet had gedownload.
(gedeeltelijk ontleend aan Growing up digital vam Don Tapscott, 1998)
De jeugd is in de ban van internet. Zowel jongens als meisjes hebben er belangstelling voor. Ze chatten en spelen internetspelletjes als Quake en Utopia. Europese kinderen zitten gemiddeld vier uur per dag achter de computer. Dat is veel meer dan het lezen van boeken, tijdschriften en kranten: dat doen ze maar een uur per dag. Dit concludeerde het Duitse Hans-Bredow-Institut uit een enquête onder 15.000 kinderen tussen 9 en 17 jaar uit elf Europese landen, waaronder Nederland.
Volgens het instituut zullen de nieuwe media de oude, zoals de televisie, niet vervangen, maar er een aanvulling op vormen.
Ook uit ander onderzoek blijkt dat de televisie nog niet op zijn retour is. De bureaus Pro Active en Tribal DDB concludeerden weliswaar dat de jeugd volledig vertrouwd is met internet - ze kunnen prima zoeken en kennen alle snufjes van hun browser - maar uiteindelijk blijkt televisie toch de populairste vrijetijdsbesteding. Buitenspelen en computerspelletjes volgen op de tweede en derde plaats, internetten staat op vier.
Wel hangt de plaats die internet inneemt in het leven van kinderen af van de leeftijd. Tot een jaar of 12 spelen kinderen voornamelijk buiten of doen ze binnen spelletjes. Tieners besteden steeds meer tijd aan internetten, huiswerk maken en luisteren naar muziek. Het internetten gaat in alle leeftijdsgroepen vooral ten koste van lezen en buiten spelen, niet van televisie kijken.
De broncode ontcijferd
Valt het dan toch wel mee met die nieuwe internetgeneratie? Veroorzaakt internet niet meer dan een verschuiving in favoriete bezigheden? Onderzoekster Karin van Steensel denkt er anders over. Volgens haar draagt internet wel degelijk bij aan een totaal nieuwe generatie, waarin klassieke tegenstellingen als links-rechts en autonoom-volgzaam niet meer aan de orde zijn.
In het onderzoeksrapport Internetgeneratie: de broncode ontcijferd plaatst Van Steensel de jeugd in een wat groter perspectief en probeert zij erachter te komen wat hen in algemene zin nu eigenlijk beweegt. Daartoe surfte ze anderhalf jaar op internet en koppelde ze haar ervaringen met al bestaande kennis binnen de Stichting Maatschappij en Onderneming (SMO), de opdrachtgever van het onderzoek.
De onderzoekster constateert groot onbegrip bij de huidige generatie als het gaat om de jeugd: 'Tegenwoordig kan men de krant niet openslaan of er staan berichten in over ontspoorde, verwende, onhandelbare jongeren.'
Behalve bezorgdheid is er ook verbazing: 'De internetgeneratie lijkt zich helemaal niets aan te trekken van vertrouwde patronen. Eenheid in gedrag en overtuigingen is niet te ontdekken.'
Volgens haar ontstaat dat onbegrip doordat we de jeugd de maat nemen met verouderde maatstaven. De internetgeneratie is na 1980 geboren. Tot die tijd waren de politiek verschillen duidelijk: je had links en rechts. Uit de jaren 60 stamt nog een andere tegenstelling: autonomie versus volgzaamheid. In die jaren werd de verzuiling onder vuur genomen en kwam de nadruk steeds meer te liggen op de eigen identiteit en ontplooiing. Veel sociologen gebruiken deze twee stereotype tegenstellingen om de gedragingen van de internetgeneratie te verklaren, maar lopen vast.
Nieuwe maatstaven
Om tot nieuwe, beter bruikbare maatstaven te komen analyseert Van Steensel kenmerkende trends uit de jaren 1985-2000, zoals economisch optimisme, einde van politieke bedreigingen, opkomst van de ICT en postmoderne begrippen als openheid en communicatie. Uit deze trends leidt ze twee nieuwe maatstaven af: autonomie en inbedding in sociale verbanden.
Vervolgens legt de onderzoekster de internetgeneratie langs deze nieuwe meetlatten en trekt tal van conclusies, waarvan sommige tamelijk voor de hand liggen, maar andere wel degelijk interessant zijn:
Zo voorziet ze het einde van de job hoppende high potential: 'Doordat de leden van de internetgeneratie de inbedding in het sociale netwerk als integraal onderdeel zien van hun zelfontplooiing, zullen organisaties die daaraan aandacht besteden, er trouwere werknemers voor terugkrijgen.'
Van Steensel verwacht vooral op politiek gebied grote veranderingen:
'Jongeren [...] staan een gerichte issuepolitiek voor. Daarbij verwijten zij de huidige partijpolitiek kortzichtig te zijn en geen stelling te durven nemen.' Door de behoefte aan inbedding in bestaande sociale verbanden zouden jongeren meer gaan neigen naar een langetermijnbeleid bij politieke beslissingen: 'Het partijpolitieke stelsel leidt ertoe dat de vierjaarlijkse strijd om de macht een te groot stempel drukt op de besluitvorming over langetermijnontwikkelingen en zal onder de internetgeneratie dan ook op de helling gaan.'
Hoe langer het huidige politieke stelsel blijft bestaan, hoe groter de kans dat actiegroepen zich via internet gaan organiseren, meent ze.
Ook anderszins speelt internet een concrete rol in haar toekomstvisie: Door de veel grotere diversiteit van de media zal de internetgeneratie pogingen om haar tot een bepaalde overtuiging te bewegen, feilloos herkennen: 'Jongeren worden kwaad over de arrogantie van grote ondernemingen, en de macht die zij (onder andere) via hun merken uitoefenen.' De onderzoekster voorspelt dan ook het einde van het merk.
De internetgeneratie zal ook winnaars en verliezers kennen. Tot de kanshebbers rekent Van Steensel vooral allochtonen, omdat zij van oudsher meer gewend zijn om in twee werelden te leven: de een meer traditioneel, de ander meer modern.
Daardoor beschikken ze een voorsprong op anderen. De grootste slachtoffers van de internetgeneratie zijn mannen: 'De traditionele mannenrol (kostwinner, beschermer) keert niet meer terug. Voor jongens bestaat in deze nieuwe samenleving geen vaste rol.'
Growing up digital
Doet Van Steensel nog tamelijk genuanceerde voorspellingen omtrent de internetgeneratie, de Amerikaan Don Tapscott is een aartsoptimist. In zijn befaamde boek Growing up digital schetst hij een toekomstbeeld van een internetsamenleving, dat bijna utopische vormen aanneemt.
De huidige generatie is de eerste die omringd wordt door digitale media, zo begint hij zijn betoog. De jeugd is daardoor helemaal vertrouwd met computers en andere technologie, zoals digitale camera's. Door de ongekende communicatiemogelijkheden die internet biedt zullen internetters een nieuwe drijvende kracht voor sociale vernieuwingen gaan vormen.
De enorme voorsprong die kinderen tegenwoordig op ouderen hebben, leidt ertoe dat de oude gezagsverhoudingen langzaam zullen afkalven, zo meent Tapscott. Ouders zullen voortdurend met hun kinderen in gesprek moeten gaan over wat internet allemaal te bieden heeft, van online vriendschappen tot pesterijen, van seks tot geweld, van downloaden tot illegale overname, van privacy tot openheid.
Opvoeders en leraren die zich distantiëren van de nieuwe media, raken het contact met de volgende generatie kwijt, concludeert hij vervolgens.
Tapscotts verdienste is dat hij geen doemdenker is, maar een verfrissende en positieve kijk heeft op de toekomst. Ook een sterk punt is dat Growing up digital geen lange monoloog is, maar dat ook de jeugd zelf aan het woord laat.
Maar hoe vernieuwend zijn boek ook lijkt, op den duur bekruipt je het gevoel dit alles al eens eerder te hebben gehoord. Om precies te zijn in de jaren 60 en 70, de jaren van het technologisch optimisme van The Thunderbirds en Star Trek. Tapscotts visie is in feite gebaseerd op datzelfde optimisme van enkele decennia geleden. Het enige verschil is dat de science fiction van toen heeft plaatsgemaakt voor het internet en Tapscott een wat meer sociologische invalshoek kiest.
[WZ, 6 september 2001]