De vlotte verbreiding van een nieuwe seksuele revolutie
De Rutgers Nisso Groep concludeert aan de hand van een onderzoek naar online seksueel gedrag van jongeren: "Op internet voltrekt zich een nieuwe seksuele revolutie." De pers kopt de voorzet terstond in: "Kwart jeugd doet aan cyberseks." Vandaag begint, mede op grond hiervan, een grote campagne.
Het onderzoek van de Rutgers Nisso Groep wijst onder andere uit:
vrijwel alle jongeren die actief zijn op internet, zijn ooit seksueel benaderd
door iemand;
Één op de vier jongens en één op de vijf meisjes (van 12 tot 19 jaar) die meededen aan het onderzoek had het afgelopen half jaar online seks met iemand;
jongeren die eraan toe zijn om seksueel te experimenteren, doen dat ook vaker online.
Een fraai doelpunt, dat helaas moet worden afgekeurd. Zowel onderzoekers als een groot deel van de pers lopen buitenspel, zo blijkt uit een nadere analyse.
Veel nieuwsmedia, het AD voorop, hebben de cijfers uit het rapport blindelings gegeneraliseerd naar alle Nederlandse jongeren. Echter, de getrokken steekproef van 11.000 jongeren is niet representatief. Bovendien zijn er twijfels over de betrouwbaarheid van de antwoorden.
De opzienbarende conclusie lijkt een topzwaar timpaan bovenop een wankel kaartenhuis. Een reconstructie van een nieuwe seksuele revolutie die, behalve virtueel, vooral fictief blijkt te zijn. "Dit is niet verantwoord wetenschappelijk onderzoek, dus presenteer het dan ook niet als zodanig."
Maar wat is er dan wel aan de hand? "Het is meer een technologische evolutie dan een seksuele revolutie." Alleen wel met ongekende veranderingen tot gevolg.
Weg met de nuance
Donderdag 1 juni 2006. Een enigszins chaotische dag, passend bij een revolutie.
10.00 uur, Science Center Nemo, Amsterdam. De perspresentatie van het onderzoeksrapport 'Seks is een Game'. Een onderzoek naar seksuele ervaringen van jongeren op internet, uitgevoerd door de Rutgers Nisso Groep in Utrecht in opdracht van stichting Mijn Kind Online en KPN als betalende partij.
Maar nog voordat de seksuele revolutie officieel is uitgeroepen, blijkt deze reeds doorgedrongen in het gehele land. "Kwart van jongeren heeft seks via internet" kopt het AD 's ochtends vroeg al op de vóórpagina. Tientallen titels volgen meteen, onder meer doordat nieuwsdienst Novum het oppikt. Niet door het rapport te citeren, maar het AD artikel.
Voorwaar spectaculair nieuws. Maar wat blijkt? De eindredactie van het AD heeft een nuance weggehaald. AD-nieuwsredacteur Dafna Holtzer, auteur van het artikel: "Ik had in mijn verhaal staan dat het onderzoek was gedaan onder jongeren die profielsites bezoeken, maar die zin is weggehaald. Dat is jammer." Waarom dan die kop? "Koppen boven vóórpagina-artikelen missen soms nuance, daar is geen plaats voor."
In de strijd tussen journalisten die de vóórpagina van hun krant willen halen vormen nuances eerder ballast dan punten. De hoofdredactie van het AD staat achter het gepubliceerde stuk: "In de kop en in het artikel ontbrak inderdaad de nuance dat het om profielsite bezoekers ging. Veel lezers weten echter niet wat dat is. Dan kun je kiezen: vele woorden aan wijden, ofwel de stevige trend verwoorden die met de onderzoekers is besproken. Dat tweede hebben we gedaan en het verhaal staat wat ons betreft dan ook nog goed overeind. Het onderzoek was zeer omvangrijk en de onderzoekers spreken zelf van een nieuwe seksuele revolutie op internet onder jongeren. De toevoeging 'van profiel sites' had niet gek veel uitgemaakt."
Onderzoekster Hanneke de Graaf van de Rutgers Nisso Groep: "Ik ben er helemaal niet gelukkig mee dat juist die kop alle pers heeft gehaald."
Veel lager percentage
Maar de Graaf ontkent niet zelf de voorzet te hebben gegeven. De presentatie van het onderzoek heeft aanleiding gegeven tot suggestieve berichtgeving, zo erkent zij. "Het is jammer dat het een eigen leven is gaan leiden in de media. We hadden in het persbericht veel duidelijker moeten zetten dan het onderzoek niet representatief is voor álle jongeren."
Alhoewel noch in het persbericht noch in het rapport ergens wordt geclaimd dat het onderzoek wél volledig representatief is, begrijpt de Graaf de verwarring die is ontstaan omtrent de generaliseerbaarheid van de resultaten. "Achteraf gezien had ik dat hele percentage over die cyberseks er liever uitgelaten. Ik kon op m'n klompen aanvoelen dat zo'n percentage de koppen gingen halen, terwijl ik weet uit ander onderzoek dat het gemiddelde landelijke percentage veel lager ligt. Dat is onoplettendheid geweest."
Dat andere onderzoek is in 2005 uitgevoerd, ook door de Rutgers Nisso Groep. Het rapport daarvan heet "Seks onder je 25e". Hierbij is wél een aselecte steekproef getrokken uit alle jongeren in Nederland. In dit onderzoek gaf één op de tien jongens aan wel eens cyberseks te hebben gehad, en één op de twintig meisjes. Dus gemiddeld 7,5 procent in plaats van de opzienbarende 25 procent.
Die 25 procent geldt in principe alléén voor de jonge profielsitebezoekers en niet voor álle Nederlandse jongeren. Hoeveel jongeren hebben dan zo'n profielsite? Volgens het Jaarboek ICT en samenleving 2006 van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) heeft ongeveer één op de vier jongeren een eigen profielsite.
'Seksuele selectie'
Maar zijn de onderzoeksresultaten dan wel representatief voor de gemiddelde profielsitebezoeker? Dat is immers de populatie waaruit de steekproef is getrokken, zo bevestigt de Graaf. Op de Kennisbasis Statistiek van Herman Wijnne leren we dat 'van een representatieve steekproef in redelijkheid mag worden aangenomen, dat de waarnemingen in de steekproef gemiddeld genomen ook gelden voor de hele populatie, met andere woorden valide en generaliseerbaar zijn.'
Maar ook hier zit een addertje onder het gras. Er is een selectie gemaakt uit een aantal profielsites. "Gekozen is voor Sugababes/Superdudes en Partypeeps. "Dit zijn bij uitstek profielsites die bekend staan om hun uitdagende profielen en seksuele geflirt," aldus Jacob van Kokswijk.
Van Kokswijk, communicatiewetenschapper aan de Universiteit Twente en gepromoveerd op gedrag en beleving in de virtuele wereld, is kritisch: "Er ontstaat een enorme vertekening door de keuze voor bepaalde profielsites die meer op seks georiënteerd zijn. Bijvoorbeeld CU2 en Hyves zijn niet meegenomen, ook sites met honderdduizenden profielen, maar veel neutraler en minder seksgericht dan bijvoorbeeld Sugababes en Superdudes."
Andermaal de Kennisbasis Statistiek: "Een steekproef kan alleen representatief zijn, als hij a-select is getrokken. Dat wil zeggen, dat alle elementen in de populatie een gelijke kans moeten hebben om in de steekproef terecht te komen."
Dat is in onderhavige steekproef duidelijk niet het geval. Dus eigenlijk kun je dan niets met zekerheid stellen over de totale groep profielsitebezoekers? Hanneke de Graaf: "Nee, in feite niet. In hoeverre de resultaten gelden voor alle profielsitebezoekers, dat zouden eigenlijk nog beter moeten uitzoeken. We weten niet in hoeverre onze groep afwijkt van alle profielsitebezoekers. Het is wellicht niet representatief voor alle profielsitebezoekers, maar wel voor de bezoekers van Sugababes en Partypeeps."
Non-respons
Maar zelfs dat laatste kun je in twijfel trekken. Er is voor het onderzoek vooral geworven via e-mail. Ruim 300.000 zijn er verstuurd naar profielsitehouders. Maar liefst 11.000 jongeren hebben de antwoordenlijst ingevuld. Dat is toch meer dan genoeg voor een goede steekproef? Ja, zegt Patti Valkenburg, hoogleraar Kind en Media aan de UvA: "Normaal wordt ook onderzoek gedaan op basis van een steekproef. Verkiezingsonderzoek wordt meestal uitgevoerd met zo'n duizend Nederlanders."
Ja, zegt ook Ingeborg Brandsma van onderzoeksbureau TNS-NIPO vindt de gekosten methode juist niet erg bezwaarlijk: "Als je zo'n grote groep respondenten hebt, dan heffen de verschillen in achtergrond elkaar meestal op. Je hebt de ideaalcijfers niet van de populatie, dat zijn sitebezoekers van bepaalde profielsites. Je kunt hier dus niet naar terugwegen. Maar stel, de populatie kent 40 procent meisjes en in de steekproef tref je er 45 procent van aan, dan
hebben dit soort verschillen bij een steekproefgrootte van 11.000 niet zulke
grote invloeden op de gegeven antwoorden."
"Onzin", zegt Ineke Stoop, onderzoekster bij het Sociaal Cultureel Planbureau. Hier is volgens haar sprake van zogenaamde zelfselectie door non-respons. Stoop: "Het aantal enquêtes dat ingevuld wordt heeft in zo'n geval, statistisch gezien, geen enkele relevantie. Je kunt namelijk ook zeggen dat er 289.000 niet hebben gereageerd."
De zogenaamde 'response rate' is in dit geval zo'n 3 procent, oftewel een non-respons 97 procent, en dat is niet onbelangrijk. Stoop, gepromoveerd op het verschijnsel non-respons bij sociaal-wetenschappelijk steekproefonderzoek: "Je weet van al die honderdduizenden profielsitebezoekers die niet hebben gereageerd niet wie dat zijn en wat ze doen."
Brandsma: "Met zo'n selectieve groep is het wel moeilijk wegen." Stoop, nog resoluter: "Wegen naar demografische kenmerken heeft niet zo veel zin als je niet weet of degenen die mee hebben gedaan verschillen van degenen die niet hebben meegedaan." De Kennisbasis Statistiek bevestigt het probleem: "Non-respons kan ernstige selectie veroorzaken."
'Extraverte statuszoekers'
Is dan niet vast te stellen in hoeverre de respons groep overeenkomt met de non-respons groep? "Nog niet." De Graaf: "We wachten nog op demografische gegevens van alle verzamelde profielen van Sugababes en Superdudes, zodat we die data kunnen vergelijken met onze onderzoeksgegevens."
Maar te vrezen valt dat de groep respondenten inderdaad afwijkt van de gemiddelde Sugababe of Dude, alleen al door bovenvermelde hoge non-respons. Evenzo kan het onderwerp 'seks en flirten' zorgen voor een schifting in de populatie, erkent de Graaf. "Het al dan niet met seks bezig zijn heeft mogelijk een selectie veroorzaakt."
Bovendien wordt van die honderdduizenden profielen slechts een breukdeel regelmatig bijgewerkt. En degenen die heel veel internetten, chatten, webcammen en cyberflirten zijn mogelijk een bijzondere groep. Volgens marktonderzoekers zijn dit vaak de zogenaamde Extraverte Statuszoekers, ze scoren op de meeste internetactiviteiten 'zwaar bovengemiddeld'.
Michel Hendriks, marketing manager van Sugababes BV: " "In de afgelopen drie maanden werd ongeveer 50 procent van de profielen bijgewerkt, in de afgelopen twee maanden 25 procent en in de afgelopen maand ongeveer 20 procent. Dat lijken me ook reële cijfers; het draait niet voor iedereen enkel om het profiel. Verder zijn de meeste bezoekers ontzettend trouw: driekwart van de bezoekers in juni kwam al vaker dan 200 keer langs. Bovendien komt bijna iedere bezoeker dezelfde dag nog een keer terug."
Driedubbele bias
Onderzoekster Hanneke de Graaf bepleit redelijkheid: "Het lijkt me heel sterk dat al die andere jongeren seks volslagen oninteressant vinden en niet experimenteren of op zijn minste passief heel nieuwsgierig zijn. Dat cyberseks en alles wat daarbij hoort zo veel voorkomt, kunnen we op basis van de gegevens wel stellen. Dit geldt ook voor de groepsverschillen, de samenhang tussen de factoren als online activiteit, leeftijd, geslacht en (on)gewenste seksuele ervaringen. Dergelijke gegevens zullen in onze groep niet veel anders liggen dan in de groep die niet mee heeft gedaan."
Jacob van Kokswijk is en blijft kritisch over de onderzoeksopzet: "Als je het representatief zou doen, dan zou je niet kiezen voor een selectie van een selectie van een selectie." Ineke Stoop vult aan: "Je hebt nu last van drie mogelijke vertekeningen: het verschil tussen jongeren en profielsitebezoekers, het verschil tussen meer of minder seksueel georiënteerde profielsites, en het verschil tussen degenen die niet meedoen en die wel meedoen. Dit kan in alle gevallen tot grote vertekening leiden." Hoeveel vertekening is moeilijk te zeggen, maar het kan nogal eens roet in het eten gooien.
Gesimuleerde identiteiten
En er is nog meer kritiek. De identiteit van de respondenten is niet met zekerheid vastgesteld, dus de demografische data én inhoudelijke antwoorden zijn daardoor minder betrouwbaar.
Van Kokswijk: "De identiteit van de 11.000 respondenten is niet onderzocht, laat staan geverifieerd. Daardoor is niet zeker of de opgegeven leeftijd, geslacht, voorkeur, etnische afkomst en dergelijke kloppen. Evenmin is zeker of iemand niet meerdere keren de vragenlijst heeft ingevuld. Amerikaans onderzoek van onder andere John Suler van de Rider University toont aan dat er volop met identiteiten wordt gewisseld, met name betreft geslacht en leeftijd."
De Graaf vindt deze kritiek een beetje flauw: "Anonimiteitproblemen heeft elk enquêteonderzoek dat niet met persoonlijke enquêteurs word uitgevoerd. De identiteit van de respondenten kun je niet achterhalen, maar dat heb altijd met schriftelijke vragenlijsten, zowel on- als offline." Maar van Kokswijk is onverbiddelijk: "Vooral bij het invullen van online formulieren en enquêtes blijkt vaak meer dan 50 procent een valse identiteit aan te nemen."
Het Jaarboek ICT en samenleving 2006 zegt over Nederlandse jongeren: "Ongeveer de helft ...doet zich min of meer regelmatig anders voor dan ze in werkelijkheid zijn. Een deel van de jongeren wijkt in hun experimenten sterk af van hun eigen zelf: 10 procent kiest bijvoorbeeld een ander geslacht, en 18 procent kiest voor een persoon uit de omgeving. Veel jongeren beperken zich echter tot experimenten die dichter bij hun zelf staan. Ze presenteren hun eigen zelf als mooier, flirteriger of stoerder."
Dit geldt bij uitstek voor seks, een onderwerp dat nogal wat grootspraak met zich meebrengt. De grootste angst van jongeren is er niet bij te horen. Een belangrijke reden voor uitsluiting, denken jongeren zelf vaak, is te moeten toegeven 'het' nog nooit gedaan te hebben. Pochen over virtuele seks biedt een extra uitweg om de status te verhogen.
De vraag is hier: zullen identiteitsexperimenterende jongeren in een enquête naar seksuele ervaringen wel eerlijk zijn over hun identiteit en gedrag? Ineke Stoop: "Dat is niet meer na te gaan. Maar overdrijving is over het algemeen een groot probleem bij anonieme internetenquêtes."
Begripsvaliditeit
Hiermee samen hangt onduidelijkheid over het kernbegrip uit het onderzoek: cyberseks. Het gaat om begripsvaliditeit: "Begripsvaliditeit heeft betrekking op het theoretische begrip waarmee de test een verklaring wil geven voor het testgedrag." Dus wat is cyberseks eigenlijk precies? Hanneke de Graaf in het radioprogramma Hoe?Zo! van Teleac op 7 juni: "We hebben cyberseks niet geëxpliciteerd. Het is wat jongeren er zelf onder verstaan. Bijvoorbeeld strippen voor de webcam, kijken naar elkaar, masturberen, maar misschien ook alleen geil chatten."
Het is dus niet duidelijk op welke wellustige activiteiten de genoemde percentages van cyberseks slaan. Ineke Stoop: "Dit is interessant. Jammer genoeg kom je nu juist niet te weten wat de jongeren precies onder het begrip cyberseks verstaan. Je had bij een dergelijk verkennend onderzoek beter eerst aan de respondenten kunnen vragen: wat versta je onder cyberseks?"
De Graaf: "Cyberseks op zichzelf is slechts een containerbegrip dat werd meegenomen uit het 'Seks onder je 25e' onderzoek van vorig jaar. Het gaat bij 'Seks is een Game' veel meer om de verschillende specifieke en seksuele ervaringen en belevingen van jongeren op de profielsites." Het onderzoeksrapport is echter wel duidelijk over de gedragingen waar het om gaat.
'Suggestieve kretologie'
Kan op basis van dit onderzoek worden geconcludeerd dat er sprake is van een nieuwe seksuele revolutie op het internet? Onderzoekster Hanneke de Graaf zelf: "Jawel. Het is in analogie met de seksuele revolutie van de vorige eeuw, toen veranderde de pil veel seksueel gedrag, nu doet communicatietechnologie dat. Opvallend in overeenstemming met de seksuele revolutie van de jaren 60/70 van de vorige eeuw is bijvoorbeeld ook dat meisjes per saldo veel minder bij de veranderingen gebaat zijn dan jongens."
Maar Jacob van Kokswijk is verre van overtuigd: "Een kreet als 'nieuwe seksuele revolutie' is niet onderbouwd. De conclusies sluiten totaal niet aan bij de resultaten van het onderzoek. De kreten van de onderzoekers zijn suggestief en onbewezen stellend, en suggereren alsof het allemaal nieuw en opzienbarend is. Maar dit speelt al tien jaar. De ontwikkeling van internetcontact is een geleidelijk proces. Seksueel experimenteren is al helemaal niet nieuw, en bovendien, zoals het altijd al was, een marginaal verschijnsel."
Feit is wel dat gebruik van internet aanleiding is voor gedragsveranderingen bij jongeren. Het is niet uitgesloten dat internet drempels voor seksueel gedrag aanzienlijk verlaagt voor jongeren en ze zich veel sneller dan voorheen aan seksuele gesprekken of handelingen overgeven.
Van Kokswijk wijst op een serie onderzoeken naar internet en gedrag die geen van alle iets van een seksuele revolutie melden. "Ook in 2001 kamen diverse onderzoekers al met suggesties van een 'tweede seksuele revolutie', zoals Carries en Cooper, Boies, Maheu, & Greenfield, 2001, hoewel niet gerelateerd aan jongeren. In 2004 verscheen 'Net.SeXXX: Readings on Sex, Pornography, and the Internet. Volgens Andreas Philaretou was er geen 'revolutie'."
Kokswijk vermoedt dat de term 'Tweede Seksuele Revolutie' is afgeleid van 'The Sexual Revolution 2.0 (2005): "Dit is geen wetenschappelijk onderzoek, maar een verslag van belevenissen. Net zoals Mirjan Vosmeer haar virtuele minnaar beschrijft in De Groene in 1996.
Onderzoek ontbreekt naar internet en drempelverlaging bij jonge pubers, waar Rutgers Nisso en Mijn Kind Online op duiden. Michel Hendriks van Sugababes: " Ik vraag me af of seksuele revolutie wel de juiste term is. Ik ben geen onderzoeker, dus ik weet niet wanneer je mag spreken van een revolutie. Volgens mij zijn tieners altijd al veel bezig geweest met (hun) seksualiteit. Ook al zouden de resultaten niet 100 procent representatief en/of betrouwbaar zijn; het is belangrijk dat problemen aan het licht komen waar we iets aan kunnen doen."
Na de storm
De zoveelste mediahype trok voorbij en wederom was internet een dankbaar slachtoffer. In dit rijtje mogen, zoals we eerder leerden - ook met het AD als aanjager - de Kamervragen niet ontbreken. ChristenUnie stelde ze en antwoorden van staatssecretaris Medy van der Laan laten op zich wachten. Wellicht kan onderzocht worden in hoeverre de uitkomsten van
Het onderzoek opgaan voor de jeugdige achterban van de verontruste vragenstellers...
Blijft de vraag: wat is er dan wel aan de hand? Wat zijn de meest concrete gevolgen van het gebruik van nieuwe, veelal interactieve media in het dagelijks leven van jongeren? Is de groep van 11.000 profielsitebezoekers die in het 'Seks is een game' onderzoek wordt belicht daadwerkelijk een voorhoede, en volgen alle jongeren in hun exhibitionistische kielzog?
"Jazeker", zegt Justine Pardoen van Ouders Online en Mijn Kind Online. Ze was nauw betrokken bij het onderzoek. Toen de resultaten een paar maanden geleden beschikbaar kwamen vond ze die zo opzienbarend dat is besloten tot het publiceren van een boek en te wachten met publicatie. "Het al dan niet statistisch representatief zijn wordt zwaar overdreven. Daar gaat het niet om. En van vergaand dissociëren dat van Kokswijk suggereert is geen sprake. Je ziet dat het opschuift onder jongeren. Dagelijks drie uur internetten zal voor tieners weldra de norm zijn. En ze zijn met seks bezig, intensiever dan ooit op internet."
Dat weten ze dan goed verborgen te houden voor hun ouders. Illustratief is de lijst met seksvragen op Ouders.nl. Internet speelt daar nauwelijks een rol in en ook in de fora is er geen hooglopende discussie van desperate ouders van wie het kroost zit te masturberen voor de camera, of massaal treuren om opgenomen en verspreide beelden.
Maar voorhoede of niet, het blijft voorlopig koffiedik kijken, omdat er nog nauwelijks longitudinaal onderzoek (lange termijn) is gedaan. Christian van 't Hof, onderzoeker bij het Rathenau Instituut: "Dat vergt behalve veel tijd ook veel geld. We hebben alleen nog maar recente data. We staan nu nog slechts aan het begin."
Ook de Rutgers Nisso Groep wil vervolgonderzoek doen. Niet zozeer naar cyberseks specifiek, maar naar seksueel gedrag in het algemeen, zoals met het vorig jaar gepubliceerde onderzoek 'Seks onder je 25e'. Alhoewel in het rapport veel gegevens worden afgezet tegen resultaten van een vergelijkbaar onderzoek 'Jeugd en Seks'(pdf) uit 1995, bestaat er over het gedrag in de virtuele dimensie van het internet nog weinig vergelijkingsmateriaal in de tijd. Hanneke de Graaf hoopt over vier jaar het onderzoek nog eens te kunnen houden, niet enkel online en op profielsites.
'Seks onder je 25e: Seksuele gezondheid van jongeren in Nederland anno 2005' vormde de basis voor beleid van het ministerie van VWS, zo antwoordde (pdf) minister Hoogervorst op een Kamervraag van Khadija Arib (PvdA). Bovendien is er een 'voorlichtingsactieplan' (pdf) van verschillende maatschappelijke organisaties uit voortgekomen.
'Seks is een game' vormt de basis voor een grote campagne onder jongeren die op 5 juli 2006 begint. De bedoeling is jongeren te leren over risico's van online gedrag. "Leren nadenken over je seksuele grenzen staat daarbij centraal", aldus Pardoen. Deelnemers zijn BNN, MTV Networks (TMF), MSN, Sugababes/Superdudes, Partypeeps 2000, Kaboem, Marokko.nl en Scholieren.com.
De campagne, met werktitel Netechteseks.nl, duurt tot eind 2006, een half jaar. "Het bureau Young Works leverde een indrukwekkende prestatie, met een spetterend concept en een perfecte uitvoering", zo belooft het boek 'Verliefd op Internet' alvast. Wat dat betreft wordt het spektakel van 'Seks is een game' doorgetrokken.
Een belangrijk onderwerp wordt het uitkleden en masturberen voor de camera. Uit 'Seks is een game': Van de jongens zegt 8 procent wel eens opgenomen te zijn via de webcam; van de meisjes is dat 3 procent. Dat waren dus respondenten die (achteraf) wisten dat ze waren opgenomen. Maar veel jongeren weten niet eens dat het mogelijk is om webcam-beelden op te nemen. Dat kan verklaren waarom een veel groter aantal jongeren zegt zelf wel eens beelden van iemand anders te hebben opgenomen: 15 procent van de jongens en 6 procent van de meisjes."
Zorgen om jonge meisjes
Wat duidelijk is: 'Seks is een game' bevestigt en versterkt het beeld van verschillen tussen jongens en meisjes voor de cyberwereld. Veel meisjes gedragen zich online relatief onderdanig of gedwee ten opzichte van de uitdagende, intimiderende jongens. De Sugababes zijn de plooibare 'bitches' en de Superdudes de viriele 'pimps'. Publiciste Myrthe Hilkens wijst in Trouw op deze ongelijkwaardigheid als bedenkelijke bevinding. Ze roept tevens op tot actie, een nieuwe emancipatiegolf. Het is de vraag of een 'spetterende' campagne deze doelgroep zal helpen. Hilkens: "Tijd voor een nieuwe tocht langs de barricades, desnoods virtuele."
Ook de kwetsbaarheid van de jonge groep van 12 tot en met 14 jarigen is opmerkelijk. Het is zorgwekkend dat deze groep, als ze seks hebben (en dat heeft zo'n heeft 7 procent) het relatief vaak onveilig doet of aangeeft te zijn overgehaald tot geslachtsgemeenschap, zo concludeert 'Seks onder je 25e'. Online blijken deze vroeg adolescenten eveneens het kwetsbaarst. Zij ondervinden meer negatieve gevolgen dan 14 plussers van internetcommunicatie in het algemeen, en van seksueel getinte interactie in het bijzonder, zo constateren respectievelijk het 'Jaarboek ICT en samenleving 2006' en het 'Seks is een game' rapport.
Een internetrevolutie
Van Kokswijk hangt de theorie aan van technologische evolutie in plaats van seksuele revolutie. "Van oorsprong professionele en exclusieve ICT is laagdrempelig beschikbaar. Daardoor is de wereld transparanter, toegankelijker, en vallen dingen ons meer op. De jeugd is niet aan het veranderen. Maar de technologie stelt de jeugd nu in staat om dingen die vroeger werden gedaan in de hooiberg of de badhokjes van het zwembad."
Van Kokswijk deed jarenlang onderzoek naar de cybercultuur en de versmelting van off- en online werkelijkheid tot 'interrealiteit'. Wel degelijk een ingrijpende verandering. In zijn dissertatie 'Architectuur van een Cybercultuur' uit 2003: "Interrealiteit is een verschijnsel bij de jongste generatie dat verstrekkende gevolgen zal hebben voor opvoeding, gedrag, sociale systemen, en dus voor de maatschappij. Het verdient daarom breed- èn diepgaand onderzoek."
Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en het Rathenau Instituut pakten die handschoen op op met hun 'Jaarboek ICT en samenleving' met 'de digitale generatie' als thema van de 2006-editie: zo'n 55 procent van de jeugd chat dagelijks, tegenover bijvoorbeeld 12 procent die dagelijks surft of 4 procent die 'informatie zoekt'. De data zijn van medio 2004. Vooral dit veelvuldig chatten leidt bij zo'n 5 procent van dertien- tot vijftienjarigen tot 'compulsief internetgebruik': gemiddeld 31 uur per week. Ook voor deze resultaten geldt overigens: representatief voor alle jongeren was het onderzoek niet. Vragenlijsten zijn - door onderzoekster Patti Valkenburg - via profielensite CU2 verspreid.
Jongeren experimenteren veelvuldig met hun identiteit: 72 procent van de negen- tot twaalfjarigen doet zich wel eens anders voor online, tegen 53 procent bij dertien- en veertienjarigen en 28 procent voor vijftien- tot achttienjarigen. Zich ouder voordoen is het populairste verzinsel, maar ook vaak doet men zich voor als een ander, al dan niet van het andere geslacht. Reacties op het profiel en in chatten bepalen meer dan ooit de het zelfvertrouwen. De aanzienlijke psychosociale veranderingen hebben dito pedagogische uitdagingen tot gevolg.
Socioloog Christian van 't Hof van het Rathenau Instituut, die samen met Jos de Haan van het SCP de redactie over het Jaarboek 2006 voerde, laat in het midden of sprake is van een revolutie, laat staan een seksuele. Maar zijn woorden neigen naar bevestiging: "De virtuele wereld is in tien jaar zo enorm gegroeid. Geen technologie is ooit nog zo snel en massaal geaccepteerd als internet, met een enorme invloed heeft op ons leven."
Reden voor optimisme
En jongeren maken al veel meer dan volwassenen vanzelfsprekend deel uit van die cybercultuur. Wat dat betreft kun je spreken van een generatiekloof, aldus van 't Hof. "De huidige generatie jongeren, geboren na 1980, is de eerste groep die echt is opgegroeid met computer en internet. Dit gegeven alleen zal al een enorme maatschappelijke impact hebben."
Van 't Hof hekelt de overspannen behandeling van kinderen, internet en seksualiteit: "Te vaak is die beeldvorming negatief en draait het om incidenten als 'meisje moet strippen voor webcam', of 'radicale moslim chat over aanslag' en dat soort zaken. Maar je kunt het ook omkeren. Ondanks het feit dat jongeren zoveel en zo intensief gebruik maken van internet is het eigenlijk wonderbaarlijk dat het allemaal nog zo goed gaat. Als je kijkt naar de totale hoeveelheid tijd en energie die erin gaat zitten, en de totale hoeveelheid ellende die er off line plaatsvindt, vind ik dat eigenlijk heel bemoedigend. Dat mag ook wel eens gezegd worden."
Bij deze optimistische visie sluit overigens het boek 'Verliefd op Internet' - dat we elders bespreken. Het sluit meer aan op Van Kokswijk, met passages als: "Voor de jongeren van nu is het digitale leven een vanzelfsprekendheid die helemaal niet virtueel of nep is, en al helemaal geen minderwaardig substituut is voor de wereld waarin je elkaar kunt aanraken. De generatie van hun opvoeders ziet dat misschien wel zo, maar de jongeren zelf niet."
En zelfs: "Wat u in ieder geval niet moet doen, is schrikken van opgewonden
berichtgeving in de media." En verderop in het boek: "Het vervelende is echter dat die ...effecten zodanig sterk uitvergroot kunnen worden wanneer ze in de media komen, dat het beeld nogal vertekend kan raken."
Conclusie
Genoegzaam duidelijk is de te korte lijn tussen de enquête van 'Seks is een game' en de conclusies, alsmede de kortste bocht die de media daardoor namen. Tot nu toe is het meeste onderzoek te smal opgezet om algemene conclusies te kunnen trekken over tieners, internet en seks. Het internet en vooral profielsites vormen een te grote verleiding voor onderzoekers om efficiënt aan veel antwoorden te komen.
Er is geen seksuele revolutie aangetoond. Dat wil niet zeggen dat die er ook niet is. Je kunt stellen dat internet, naar gelang de woordkeuze, revoluties heeft veroorzaakt in de huizenhandel, in de reisbranche, in de nieuwsvoorziening en, niet op de laatste plaats, met dating. Het woord revolutie is op zich altijd omstreden geweest in geschiedschrijving. Maar te weinig is in dit geval onderscheid gemaakt in de (r)evolutie van de technologie en van het seksueel gedrag.
Veel van de genoemde snelle evoluties zijn overigens nog niet ten einde daar drempelverlaging, transparantie en het delen van ervaringen (web 2.0) nog doorgaan. In die zin is de kans groot dat internet en vooral MSN onder jongeren grote, zo niet revolutionaire veranderingen teweegbrengen. Het is een uitdaging om dat ook aan te tonen.
[Peter Olsthoorn en Andreas Udo de Haes, 4 juli 2006]