NETKWESTIES magazine over maatschappij en internet kleine letters normale letters grote letters
12-05-2005 bepaal de lettergrootte
ACTUEEL COLUMNS COLOFON ABONNEER

Geld verdienen met journalistiek online: van donaties tot tekstbanken

Media of lezers die direct artikelen bij de journalist afrekenen, abonnementen op weblogs en gesponsorde links. Op welke nieuwe manieren kunnen journalisten met hun werk geld verdienen op internet? Netkwesties maakte een inventarisatie.

Dit artikel maakt deel uit van een onderzoek naar online uitgeven en journalistiek dat steun krijgt van het Bedrijfsfonds voor de Pers.

Toen eind jaren negentig de hype rond internet zijn hoogtepunt bereikte, gloorde er voor freelance journalisten een gouden handel op het wereldwijde web, dachten sommige waarzeggers.

Golden Days for Web Freelancing, kopte de Online Journalism Review in 1999. Internetsites boden freelancers goede tarieven voor hun stukken. Twee jaar later was de situatie totaal omgekeerd. Veel sites gingen ten onder of moesten terugvallen op goedkope ingekochte content van grote persbureaus. De conclusie, een jaar later afkomstig opnieuw van de Online Journalism Review: het freelance-feest is over.

In de hoogtijdagen specialiseerde een handvol sites zich zelfs in het bij elkaar brengen van de vraag en aanbod in 'content', zoals Content-Exchange, Correspondent.com en Worldarchive.com. Content-Exchange bestond uit een database van meer dan duizend freelance journalisten, gerangschikt op onderwerp en prijzen, Correspondent.com vroeg 15 procent op elk via de site verkocht artikel, terwijl Worldarchive journalisten 70 procent beloofde van de advertentieopbrengsten bij de artikelen die ze hadden geplaatst.

Pressurge

De drie sites bestaan geen van alle meer. En dat zegt genoeg: sites die freelance journalisten directe online verkoop beloven, lijken gedoemd te mislukken. Het Nederlandse Pressurge is daar ook een goed voorbeeld van. Deze grote databank biedt mogelijke kopers de inleidingen van artikelen. Willen ze die lezen en eventueel kopen, kunnen ze met de desbetreffende journalist contact opnemen over de prijs.

Het leek een leuk idee, maar het kwam niet van de grond. De site bestaat na zes jaar nog wel, maar er verschijnt gemiddeld slechts één artikel per maand en dan ook nog eens vooral Engelstalig. De site telt slechts 18 ingeschreven abonnees.

Initiatiefnemer Marko Leer, tegenwoordig van het internetbedrijfje Half2, legt uit waarom hij de site in 1999 begon: "Ik was een beetje pissig over de omgang met rechten van freelancers door grote uitgevers als PCM en Wegener. Freelancers zitten onderaan in de journalistieke voedselketen en hebben het meest te lijden van bezuinigingen en misbruik van hun auteursrechten. Ik wilde kijken of we freelancers zelf een optie konden geven om te verdienen met het hergebruik van hun materiaal, en pogen hen beter te organiseren. Dat bleek niet te werken", constateert hij droogjes.

In totaal hebben 144 freelancers artikelen op Pressurge gezet. "Maar slechts een kleine groep was fanatiek bezig met het plaatsen van stukken, de rest liet het afweten." Waar dat aan ligt weet hij niet. "Het is niet aangetoond dat Pressurge in een behoefte voorziet. Ik kan me voorstellen dat je als journalist eieren voor je geld kiest en je auteursrecht weggeeft aan de uitgever. De onderhandelingspositie is al niet al te uitgebreid tegenwoordig."

Leer weet niet hoeveel mensen nu daadwerkelijk via de site artikelen hebben gekocht. "Pressurge is slechts een doorgeefluik. Ik bemoei me verder niet met de verkoop van artikelen. Drie jaar geleden kreeg ik wel een e-mail van een freelancer die via Pressurge een artikel aan een of ander blad had verkocht. Het was in een half uurtje geregeld, schreef hij."

Journalisten gebruikten de site ook niet goed, vindt hij. "Vooral voor journalisten uit de Derde Wereld zou dit op een goedkope manier een soort persbureau kunnen zijn. Het biedt alle opties. Journalisten moet ook meer stukken plaatsen die actueel zijn en waarmee ze kunnen scoren."

Rouwig is Leer niet om het falen van Pressurge. "Ik had er zelf geen belang bij. Het opzetten van de site kostte weinig. Het is best een aardig systeem, het werkt goed, maar ziet er misschien niet zo goed uit", zo meent hij, om nog even uit te halen: "Ach, het is een idealistisch initiatief, ontstaan vanuit een oprechte verontwaardiging over de dagbladmaffia. De pest met journalisten is dat ze ontzettend kritisch zijn op van alles en nog wat, totdat het over hun boterham gaat, dan hebben ze zwakke knieën."

Featurewell

Een Amerikaanse site die het model van Pressurge serieuzer en beter heeft aangepakt is Featurewell.com Deze site, opgezet door freelance journalist David Wallis, biedt net als Pressurge een database met artikelen van freelancers. Het verschil is dat alleen goedgekeurde schrijvers worden toegelaten. Bovendien werkt de site echt als een soort eBay-veiling: uitgevers kunnen de rechten op artikelen direct kopen op de site. Featurewell houdt vervolgens 40 procent van de opbrengst, de auteurs ontvangen 60 procent. Dat is voor journalisten vaak beter dan de tarieven bij andere 'syndicates', bedrijven die handelen in het doorplaatsen van artikelen.

Op de site staan vooral stukken van bekende journalisten die al elders zijn gepubliceerd. Featurewell.com verkoopt vervolgens de 'tweede' rechten binnen Amerika of direct aan buitenlandse media. Dat de site na vijf jaar nog regelmatig wordt bijgevuld, bewijst het succes. Inmiddels heeft Featurewell meer dan duizend journalisten en ongeveer evenveel ingeschreven klanten, voornamelijk eindredacteuren bij kranten en tijdschriften.

In een interview zegt Wallis van Featurewell dat hij 75 procent van de circa 160 opgestuurde artikelen per week weigert. "Ik ben heel erg kieskeurig. Ik richt me op goed geschreven artikelen. Waarover ze gaan, dat maakt me niet uit. Het belangrijkste is dat de artikelen een goede stijl hebben en dat ze van een hoge journalistieke kwaliteit zijn."

In een ander interview vertelt Wallis dat hij de prijs van artikelen niet alleen baseert op de lengte, maar ook op de nieuwswaarde, de grootte van het medium dat het koopt en de rechten die eraan verbonden zijn. De site heeft inmiddels voor meer dan een miljoen dollar aan artikelen verkocht.

Naast Featurewell zijn er in Amerika nog tientallen syndicatiebureaus die tegenwoordig grotendeels via internet werken zoals Mediabistro. Speciaal voor reisjournalisten is er de online marktplaats iTravelSyndicate.

Beeldbanken

Voor fotojournalisten bestaan er al jaren online beeldbanken waarmee ze materiaal kunnen verkopen. Sinds vorig jaar biedt ook de Nederlandse vereniging van persfotografen NVF haar leden de mogelijkheid dankzij internet geld te verdienen. In januari ging namelijk de site DeFotojournalist.nl online. Aangesloten fotografen kunnen daar tot 1.600 maximaal foto's van hun werk uploaden. Zo ontstaat een enorme beeldbank. Voor fotografen niet alleen goede reclame en een online portfolio van hun werk, het is ook een manier om geld te verdienen.

"Het bezoek aan de site en het aantal inschrijvingen loopt aardig, naar verwachting. Ik kan niet zien wat er door onze site is verkocht aan foto's, dat is de zaak van de individuele journalisten. Mensen moeten met hen zelf contact opnemen", zegt Marijke Wilms van de NVF, een onderdeel van journalistenvakbond NVJ.

Inmiddels staan er meer dan 200 fotografen op de site. "Vroeger hadden we een gedrukte ledenlijst. Met deze site is het de bedoeling dat fotografen er nog meer opdrachten uit kunnen halen. Ieder lid kan zo zijn eigen online beeldbank krijgen. Dat komt de uitoefening van het beroep ten goede", zegt Elly Speet van de NVJ. "Ik weet dat een aantal media de site hanteren en dat er enkele fotojournalisten ook opdrachten hebben gekregen dankzij de site."

Het project behoeft nog verfijning, vertelt Speet. Zo is het vinden van foto's nog een probleem. Een model waarbij de foto's van de fotojournalisten direct op de site zouden zijn af te rekenen ziet ze voorlopig nog niet zitten. "Dat is een brug te ver. We hebben hier al meer dan een jaar over gedaan voor het online was."

Het concept van Defotojournalist.nl is wellicht ook toepasbaar op teksten van de schrijvende pers. Het onderdeel Zoek een Freelancer op de site van de NVJ wordt volgens Speet later dit jaar aangepast. "Daarbij denken we aan de mogelijkheid om een portfolio toe te voegen." Grootste verschil tussen een beeldbank en een tekstarchief is volgens haar dat foto's makkelijker in te delen zijn in categoriën.

Betalende abonnees

Een andere aanpak waarbij de gebruikers van de content moeten betalen is het abonneemodel, in Nederland schaars toegepast. Een daarvan is Qure, een site met nieuws over het gebruik van ICT in de gezondheidszorg. Dat lijkt een beperkt onderwerpsgebied, maar volgens de maker, vakjournalist Ton Smit (voorheen freelancer voor o.a. Automatiseringgids) lijkt de site na meer dan een jaar een succes. "Ik bereik later dit jaar het break-even punt."

Abonnementen op Qure.nl kosten 80 euro per jaar. Smit biedt geen gratis artikelen of proefabonnementen. Smit schreef sinds 1988 voor vakbladen over automatisering in de zorgsector, maar biedt nu naar eigen zeggen een onafhankelijkere nieuwsbron dan andere media die daar over schrijven. Zelf typeert hij zijn e-zine als volgt: "Qure is gewoon neutraal en daarmee verdienen we onze boterham. (..) Inhoud en toonzetting van artikelen in Qure staat op geen enkele wijze onder invloed van adverteerders, sponsors, koepels, bedrijven, Nictiz of beleidsmakers. Het geboden nieuws is het meest onafhankelijke dat we u kunnen bieden."

Die onafhankelijkheid van adverteerders en sponsors is het grootste voordeel van het abonneemodel. Het grootste nadeel is dat maar weinig informatieve websites voldoende betalende bezoekers hebben. Toch zijn er gelovigen voor dit model, zoals internetondernemer Michiel Frackers, die een eigen webloguitgeverij wil beginnen. Maar hij twijfelt of journalistiek daarin een belangrijke plek krijgt. Er zijn attractiever onderwerpen: "Ik maak met actrice Georgina Verbaan haar website en daarop moeten mensen betalen voor toegang tot filmpjes en foto's. Dat werkt goed. Betalen gaat heel gemakkelijk via een 0900-nummer. Een populaire site met veel bezoekers als Geenstijl zou ook zo'n soort abonnementen kunnen invoeren."

Volgens Jan Jasper de Konink van Focus-In, een site met journalistiek e-zines voor alleenstaanden (SinglesMagazine en voor daters, M/V Life, werken betaalconcepten voor informatie op internet niet. "Je moet altijd een groot deel gratis aanbieden. Bovendien moet je dan erg uniek zijn, want anders zoeken bezoekers het elders wel gratis. Microbetalingen werken alleen bij sekssites, voor journalistiek niet. Dat is toch wel gratis te vinden, denken de mensen."

In Amerika zijn er diverse voorbeelden van journalistieke sites die niet voldoende abonnees trokken, zoals de betaalde weblog Mediaspun en de nieuwsite Inside.com. Ook het bekende e-zine Salon.com weet het hoofd toch vooral dankzij adverteerders en sponsors het hoofd boven water te houden, en niet dankzij de betalende lezers.

Andere grote nieuwssites zien steeds minder in betalende internetters, zo bleek uit het rapport State of the News Media 2005. Van de ondervraagde mediasites had in 2005 95 procent geen inkomsten van betalende internetters. Voor het onderzoek werden de nieuwssites onder meer de volgende stelling voorgelegd: "In de komende vijf jaar zullen we een systeem van microbetalingen hebben en zullen bezoekers kleine bedragen per artikel moeten betalen." In 1996 was 30 procent van de ondervraagden het daarmee eens, in 2005 nog slechts 21 procent. Het percentage mediasites dat antwoordde het 'zeer oneens' te zijn met deze stelling steeg in negen jaar tijd van 7,5 tot 13 procent.

Donaties

Als mensen al geen kleine bedragen willen betalen, dan lijkt het nog minder kansrijk om van internetters een vrijwillige bijdrage te vragen. Alleen in Amerika zijn er een paar journalisten die hun boterham verdienen met donaties van bezoekers. Dat geldt onder meer voor Andrew Sullivan die alleen in 2002 al 80.000 dollar ophaalde via de doneerknoppen op zijn weblog. Ook weblogger Jason Kottke, strikt genomen geen journalist, hield met succes de hand op.

Nog talloze andere webloggers zetten een Paypal-knop op hun site, maar de meesten zal het niet meer dan een paar dollar opleveren. "Door je artikelen op internet te zetten kan je geen geld verdienen, dat lijkt me duidelijk. Internetters die artikelen bij de journalist afrekenen met Paypal? Dat kan ik me echt niet voorstellen", zegt Leer van Pressurge.

Paypal is overigens niet het enige online betalingssysteem dat geschikt is voor het ontvangen van donaties. Dat kan ook met Bitpass, Amazon Honor System. In Nederland zouden online betaalsystemen als Bibit, Ogone en Bill daar in principe ook geschikt voor kunnen zijn, maar de kans dat ook maar één Nederlandse journalist in de voetsporen treedt van de Amerikaanse Christopher Allbritton is klein.

Allbritton is namelijk tot nu toe de enige journalist die een tijdlang direct betaald is door zijn lezers van zijn weblog Back-To-Iraq. In de aanloop naar de oorlog in Irak haalde de voormalig verslaggever voor Associated Press en de New York Daily News in korte tijd meer dan 15.000 dollar op. Van dat geld verbleef hij maandenlang in Irak om te webloggen. Het was in ieder geval goed voor zijn naamsbekendheid, want inmiddels is Allbritton terug in Irak, maar dan als betaalde correspondent voor onder andere Time.

Als journalisten afhankelijk worden van webdonaties van lezers, bestaat de kans dat ze hen veel meer naar de mond gaan schrijven, omdat de relatie met lezers, ook door reactiepanelen en e-mail, directer is geworden. In een interview met een Duits weblog zegt Christopher Allbritton: "Sommige mensen waren het niet eens met mijn berichtgeving over George Bush en zouden niet betaald hebben als ze dat tevoren hadden geweten."

'Persoonlijk en professioneel' noemt Allbritton zijn weblog. "Maar financieel gezien niet. (..) De operationele kosten zijn eruit, maar niet die van mijn levensonderhoud." Allbritton werkt aan een andere manier om toch wat geld over te houden aan zijn Irak-avontuur: een boek.

Hij betwijfelt zelf ook of het donatiemodel ook voor meer 'normalere' onderwerpen zal werken. "Het grootste probleem is dat er een oplossing moet komen voor de kosten die de journalist maakt voor en tijdens zijn werkzaamheden." Internetters willen pas doneren als ze weten waar ze geld aan uitgeven, en dus moet een weblog al een goede reputatie hebben opgebouwd. Dat kost de journalist veel tijd, en daarmee geld. Een model waarbij een journalist zijn diensten aanbiedt op Ebay ziet hij niet zitten.

"Dat zie ik op dit moment niet zitten. Met Back-to-Iraq wilde ik niet mijn boterham verdienen, ik wilde slechts aantonen dat dit idee in uitzonderlijke gevallen mogelijk is. Ik denk werkelijk niet dat persoonlijke weblogs de dominerende vorm van nieuwsmedia zullen worden. Daarvoor staan ze te vol met meningen en ongecheckte feiten", aldus Allbritton op Mehrzweckbeutel.de.

Advertentienetwerken

Populaire weblogs hebben de afgelopen jaren bewezen dat er met advertenties wel voldoende inkomsten binnenkomen, soms sponsoring. Volgens Michiel Frackers zijn grote bezoekersaantallen niet per se nodig om met een weblog geld te verdienen. Hij zette twee jaar geleden de weblog van het maandblad Quote op. "Met een fractie van het bezoek van populaire sites als Geenstijl.nl levert Quotenet tien keer zoveel op", beweert Frackers, zonder dat te staven.

Cruciaal is volgens Frackers dat de weblog van Quotenet een goed afgebakende doelgroep heeft. Oftewel: hoe specialistischer de journalist, en zijn doelgroep, hoe beter het adverteerders trekken is. "Alle mythes dat je met weblogs geen geld kunt verdienen heb ik met Quotenet doorgeprikt. We hebben meer aanvragen voor banners op de site dan we daarwerkelijk op dit moment kunnen tonen. Belangrijk is ook dat er een goed mediabureau achter zit die de advertenties verkoopt."

Zelf heeft Frackers op zijn persoonlijke weblog meerdere adverteerders die binnenkomen via het advertentienetwerk van VNU. Daarnaast staat de inhoud van zijn weblog op ook de site van het vakblad Emerce.

Jasper Jan de Konink van Focus-In is minder enthousiast over de kansen van journalistiek op internet: "Adverteerders zijn kieskeurig. Ze sponsoren liever dingen die ze al kennen, zoals Skyradio.nl. Andere sites met goede bezoekersaantallen worden gewantrouwd, want ze hebben een lage status. Onze twee magazines op internet hebben daar ook last van. Grote adverteerders van grote merken sluiten het liefst één deal. Heel specifiek en gericht adverteren is nog lastig voor ze."

Het is tegenwoordig niet meer noodzakelijk om zelf adverteerders te werven: diverse advertentienetwerken verzorgen ze automatisch, soms zelfs ongeacht het aantal bezoekers dat er langskomt. Het bekendste advertentienetwerk is dat van Google: Adsense. De tekstlinks zijn gerelateerd aan de inhoud van de pagina en leveren wisselende bedragen per klik op, afhankelijk van de populariteit van de trefwoorden waaraan ze aangekoppeld zijn.

In Amerika zijn er nog enkele soortgelijke systemen. Bij Blogads koopt de adverteerder niet op basis van trefwoorden op de webpagina's, maar specifiek op welke sites ze willen adverteren. Blogads is voorlopig alleen beschikbaar voor Amerikaanse weblogs. Dat geldt ook voor de meeste advertentienetwerken uit dit rijtje: AdBrite, FastClick, ClickBank en LinkShare. In Nederland zijn er ook enkele kleine advertentienetwerken: WebAds, Adpepper, Netdirect en M4N. Deze staan nog niet al te zeer open voor jan en alleman.

Leven van Google

Google's Adsense is op dit moment de beste keuze voor sitemakers. In een recente column in HCCMagazine schrijft journaliste Corrie Gerritsma dat ze met haar webdagboek, die zo'n 750 bezoekers per dag trekt, in drie weken tijd 60 dollar heeft verdiend met Google-ads. "Ik vind het een leuk extraatje, dat weblog hield ik zonder verdiensten toch ook al bij."

Maar er zijn ook Nederlandse websitemakers die een flink deel van hun bestaan aan Google te danken hebben. Eén daarvan is freelance redacteur Wessel Zweers, tevens eindredacteur van Netkwesties. Zijn wandelwebsite Tweevoeter.nl trekt zo'n 5.000 bezoekers per dag en maakt sinds kort bescheiden winst. In het Radio 1-programma Radio Online zei hij eerder dit jaar: "Ik verdien met Google-advertenties inmiddels een substantieel deel van mijn inkomen."

Het kan dus wel, alhoewel de resultaten van de Google-advertenties sterk per onderwerp verschillen. Uit eigen onderzoek blijkt in ieder geval dat advertenties met trefwoorden die iets te maken hebben met pensioenen meer opleveren dan politieke onderwerpen. Zelfs de manier van schrijven kan erdoor worden beïnvloed. De kans dat iemand advertenties heeft gekocht op het trefwoord 'Groningen' is immers groter dan op 'Groningse'. Door bijvoorbeeld in teksten 'Groningse boekhandel' om te schrijven naar 'boekhandel in Groningen' kunnen er dus meer, of duurdere, advertenties bij het artikel verschijnen.

Corrie Gerritsma beschrijft dit fenomeen: "Sommige kliks leveren maar 3 eurocent op, andere 30 cent. Het is voor je eigen portemonnee natuurlijk goed om uit te vogelen welke advertenties het meest opleveren. Helaas levert Google de gebruikers deze informatie niet kant en klaar aan. En dus blijft het bij gissen en in de gaten houden wat nu wel wat oplevert en wat niet."

Veel mogelijkheden

Verder is er nog een hele reeks andere manieren om met weblogs centjes te verdienen. Te denken valt aan betalen voor de mogelijkheid reacties bij berichten te mogen plaatsen, of betaalde attendering per e-mail van belangrijk nieuws of betaalde toegang tot archieven. In een ander artikel in het kader van dit onderzoek gaan we in op het overschrijden van de scheidslijnen tussen commercieel en onafhankelijk.

En dan zijn er op internet ook nog bedrijven waarmee je al je artikelen kan bundelen in een boek. In Nederland kan dat onder meer met Mijneigenboek.nl. In Amerika is een handige site om boeken te verkopen Lulu.com. Van aangeleverde teksten maakt Lulu.com onder meer paperbacks, gebonden boeken, e-books, downloadbare tekstbestanden of cd-roms.

Conclusie

Van alle nieuwe manieren die er zijn om met journalistiek via internet geld te verdienen zijn de meeste modellen nog lang niet rijp genoeg. Het effectiefste lijkt op dit moment het advertentiemodel: als journalist kun je je artikelen, waar je uiteraard zelf de rechten op hebt, publiceren op een weblog en daarbij vervolgens advertentieruimte verkopen. Met name Google-advertenties leveren daadwerkelijk wat op, mits er voldoende bezoekers komen. Naast advertenties leveren sponsoring en commissie op verkochte producten in webwinkels sowieso geld op, maar zal voor de meeste journalisten te snel op ethische bezwaren stuiten.

Tot slot lijken modellen die ervan uitgaan dat internetters de journalist direct via internet zullen betalen - of dat nu is in de vorm van abonnementen of donaties - vooralsnog niet haalbaar. Er zijn nog nauwelijks goede Nederlandse voorbeelden van. En op succesverhalen als die van de online oorlogscorrespondent Christopher Allbritton of de Amerikaanse marktplaats voor achtergrondartikelen, Featurewell, blijft het in Nederland wachten.

[Tonie van Ringelestijn, 12 mei 2005]

Verder in editie 127



Netkwesties zoekt steun

En u kunt helpen! Lees verder »