Nieuwe technologie voor journalistieke praktijk
Pen en blocnote blijven belangrijke journalistieke middelen, maar nieuwe technologie maakt het vergaren en checken van informatie eenvoudiger en soms ook beter. Ook de journalistiek ontkomt niet aan efficiencyslagen die de technologie afdwingt. Het kan en moet beter en goedkoper.
Dit artikel maakt deel uit van een onderzoek naar online uitgeven en journalistiek dat steun krijgt van het Bedrijfsfonds voor de Pers.
Uitgevers van kranten en tijdschriften gaven in het afgelopen decennium tientallen miljoenen euro's uit om soms geslaagde en meestal geflopte internetsites te maken. Het lukt hen vooralsnog niet om op internet geld te verdienen met hun kernactiviteit. Integendeel, internet lijkt meer en meer een bedreiging te worden. Henk Blanken, adjunct-hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden, omschreef tijdens een krantencongres in april 2005 in Den Haag hoe internet het landschap van de papieren krant veranderde. De functie van zoeken en vinden, kerntaken van een krant, worden nu gedaan door zoekmachines als Google, Startpagina.nl en Yahoo. De advertentiemarkt ging naar bedrijven Marktplaats.nl, eBay, Funda en Jobnews en voor nieuws, de kernactiviteit van dagbladen, gaan consumenten nu naar Nu.nl en de Teletekst-pagina's op Omroep.nl.
Maar waar internet voor uitgevers moeilijk lijkt, heeft het voor de journalistiek in elk geval positieve mogelijkheden in petto. Het internet is een continu groeiende, onuitputtelijke bron van informatie, waarin grote behoefte is aan selectie en wellicht duiding. Daarnaast brengt het nieuwe communicatiemiddelen.
Het web, professionele en amateuristische bronnen
Onbekend maakt onbemind, geldt voor enkele waardevolle Nederlandse openbare bronnen die op internet zijn te raadplegen. De Nederlandse Onderzoek Databank is een doorzoekbaar databestand met daarin informatie over Nederlandse onderzoekers, onderzoeksinstellingen en de onderwerpen waar zij zich mee bezighouden. Statline is het openbare en rijke databestand van het CBS. En er bestaat ook een nationaal register met informatie over kentekens van auto's. Ook het Handelsregister van de Kamer van Koophandel is een handige bron van informatie die via internet te raadplegen is.
Naast bovenstaande openbare officiële databestanden is echter het aanbod 'particulier gegenereerde' kopij vele malen groter. Dankzij de weblogtechniek is de drempel geslecht en komt in hoog tempo veel particulier materiaal beschikbaar. Een beperkt deel daarvan is journalistiek interessant, vooral specialistische publicaties. Mits in handen van inhoudelijk gespecialiseerde schrijvers of directe aanschouwers van gebeurtenissen, vormen weblogs een directe bron voor journalisten. Een bron schrijft immers ook. Hierin wegwijs worden is de traditionele kunde van de journalist.
Hij kan daarvoor de hulp inroepen van zoekdiensten. Google won de afgelopen jaren aan belangstelling onder internetgebruikers, omdat het enige orde in de chaos van miljarden vaak niet-gerelateerde webpagina's weet te brengen. De zoekmachine bepaalt op grond van slimme rekenmodellen welke webpagina's relevant zijn voor de opgegeven zoekopdracht en welke niet. Sterke concurrenten zijn A9.com en Yahoo.com.
De taak van de journalist is vervolgens ook om de betrouwbaarheid van een site te beoordelen. Websites bevatten een aantal kenmerken die op zijn minst een indicatie zijn van de betrouwbaarheid van de informatie, zoals het internetadres zelf, maar ook gegevens over de eigenaar van het domein.
Beeld zoeken
De praktijk wijst uit dat internetgebruikers betrekkelijk welwillend zijn om zelfgemaakte digitale foto's online te zetten of met anderen te delen. De Amerikaanse fotoalbumdienst Flickr is een toonbeeld voor de populariteit van foto-uploads. De Yahoo-dochter biedt onderdak aan tientallen miljoenen foto's van particulieren. Ter illustratie: toen terroristen een bomaanslag pleegden in Indonesië in september 2004, verschenen de eerste foto's niet bij CNN of Reuters, maar op Flickr.com.
Flickr-gebruikers voorzien hun foto's van beschrijvende labels, wat de afbeeldingen eenvoudig doorzoekbaar maakt. De foto's zijn auteursrechtelijk beschermd. Uitgevers mogen de afbeeldingen niet kosteloos overnemen, tenzij de gebruiker in de rechtenverklaring rechts onder de foto anders vermeldt. Een groot deel van de foto's is gepubliceerd onder een zogeheten Creative Commons-licentie. Dat is een liberale vorm van auteursrecht. Flickr opende eind april 2005 een aparte zoeker die louter dit soort liberaal gelicenseerde foto's doorzoekbaar maakt. Uitgevers mogen deze foto's onder bepaalde voorwaarden, zoals beschreven onder de afbeeldingen, (soms gratis) overnemen en herpubliceren.
Nederland kent enkele openbare fotodatabanken zoals DeFotojournalist.nl met het werk van freelance fotojournalisten van de NVJ-sectie NVF. Fotografen voorzien hun daar gepubliceerde foto's van trefwoorden. Op grond van die informatie kunnen uitgevers geschikte foto's zoeken. Indien ze de hoge-resolutieversie van de foto willen hebben, vullen ze een webformulier in dat de fotograaf op de hoogte stelt van de vraag naar zijn product. De fotograaf en uitgever nemen vervolgens, buiten de site om, met elkaar contact op om details van de transactie door te spreken. DeFotojournalist.nl bevat nu circa 50.000 foto's, verdeeld over 16 rubrieken.
Geluid
Behalve geschreven tekst en foto's vormt ook audio een steeds toegankelijker bron van informatie. Een toenemend aantal internetgebruikers - professioneel en particulier - maakt op eigen initiatief geluidsopnamen in mp3-formaat en zet deze bestanden online. Dat kunnen live opnames van conferenties zijn, openbare discussies, recensies van boeken, films en sportwedstrijden, maar ook columns en bijvoorbeeld korte nieuws- en weerberichten. Die bestanden kunnen bronnen voor nieuws of illustratieve citaten vormen. Bijvoorbeeld Het Parool opende een online audioarchief.
Maar in 2004 stelden nieuwe ontwikkelingen iedere eindgebruiker in staat om op eenvoudige wijze eigen radioprogramma's op internet te maken, tegen lage kosten. Populair wordt dit podcasten genoemd - broadcasten, maar dan gericht op pods, draagbare mp3-spelers. Het is al jaren mogelijk om audiobestanden online te zetten ter download. Het nieuwe aan podcasten is het gegeven dat luisteraars via een gratis programma als het ware abonnementen kunnen nemen op mp3-producties van geselecteerde bronnen en onderwerpen. Het podcastprogramma fungeert als het ware als een transistorradio met vooraf in te stellen voorkeuzezenders.
Concreet: de internetter downloadt een podcastontvanger via bijvoorbeeld Doppler, iPodder of Nimiq en zoekt welk programma's naar zijn interesse via bijvoorbeeld dit hiërarchisch geordende overzicht. Ieder mp3-programma in het overzicht is voorzien van een hyperlink. Kopieer deze naar de podcastontvanger en de voorkeurszenders staan ingesteld. Het programma zal een keer, of enkele malen, per dag de jongste radio-uitzendingen downloaden en kopiëren naar de mp3-speler. Specialistische mp3-uitzendingen geven vaak een actueel overzicht van ontwikkelingen in nichemarkten of andere gemeenschappen.
Podcasten is in feite een audiovariant op geschreven weblogs. Het is anders dan audiostreaming, doordat streams enkel te consumeren zijn achter de computer. Als het om live streams gaat, dient men ook nog eens op gezette tijden achter de computer te zitten. Podcastuitzendingen zijn voor journalisten te beluisteren waar en wanneer men wil, bijvoorbeeld tijdens trein- of luchtreizen.
RSS
De podcasts en ook talloze geschreven berichten op nieuwssites, weblogs en andere typen websites vinden steeds vaker hun weg naar de eindgebruiker via RSS. Dat is een techniek om informatie van de zender naar de ontvangen brengen zonder dat de ontvanger naar een site hoeft te surfen.
RSS is het best te vergelijken met een digitale versie van de knipselkrant. De meeste nieuwssites en weblogs beschikken over deze publicatietechniek die gebruikers in staat stelt vliegensvlug de koppen van tientallen uitgaven op internet te scannen. Zodra er een nieuw artikel op een website verschijnt, wordt de RSS-gebruiker daar acuut van op de hoogte gesteld. Het toevoegen van een nieuw te volgen internetuitgave is een kwestie van enkele muisklikken. Hetzelfde geldt voor het verwijderen van een RSS-abonnement.
Het aantrekkelijke van RSS is dat het journalisten in staat stelt snel een grote diversiteit aan te selecteren bronnen te verzamelen. Hiervoor hoeft men niet meer met de internetbrowser een lijst met favorieten langs om te kijken of er iets nieuws op bepaalde sites is verschenen. Het nieuws wordt als het ware op een presenteerblaadje afgeleverd, onderverdeeld in mappen met de naam van de gevolgde uitgave. Het RSS-programma geeft aan hoeveel nieuwe berichten er zijn verschenen sinds de laatste controle. De gelezen berichten worden in de regel bewaard en zijn met zoekmachineachtige technieken te doorzoeken.
Ergo, RSS-bestanden zijn op twee manieren te gebruiken: om te publiceren en te consumeren. Inmiddels hebben duizenden professionele maar ook amateurpublicaties 'RSS-feeds' op hun websites. Dat stelt de gebruikers niet enkel in staat het nieuws tot zich te nemen, maar het is technisch eenvoudig om de RSS-feeds vervolgens ook weer te publiceren op een persoonlijke homepage.
Usenet: nieuwsgroepen
Weblogs, reguliere websites en omvangrijke databestanden hebben een gemeenschappelijk kenmerk: het is eenrichtingsverkeer van zenders naar ontvangers. Bij weblogs bestaat de uitzondering dat lezers ook kunnen reageren onder de schrijfselen. Er bestaan echter ook 'openbare cafés' op internet waar journalisten lopende discussies kunnen volgen. Ze kunnen zich ook mengen in de discussies, deze entameren en gaan leiden. Daar schuilt op termijn nieuwe werkgelegenheid.
Usenet, ook wel nieuwsgroepen genoemd, is een van de oudste vormen van internet [handleiding]. Usenet is een geheel van mondiaal verspreide discussiegroepen. Gebruikers lezen en plaatsen berichten via e-mail op News-servers, níet op het web. Waar e-mailverkeer tussen twee personen verloopt, geschiedt Usenet-communicatie in groepen waarvan de leden bijdragen kunnen 'posten'. Er zijn vele tienduizenden discussiegroepen, met als hoofdaders groepen in de rubrieken comp., misc., news., rec., sci., soc., talk. en alt.
De circulerende e-mails, zogeheten postings, zijn te lezen via speciaal daarvoor ontwikkelde, veelal gratis te downloaden, programma's als Thunderbird en Forte's Agent. Zoals Internet Explorer een bladerprogramma voor het web is, zijn Usenet-programma's gemaakt om nieuwsgroepen op News-servers te lezen. Gezien het enorme aantal nieuwsgroepen is het lastig om gespecialiseerde groepen te vinden. Dat vergt tijd en bovendien enig incasseringsvermogen wat de hoeveelheid spam betreft. Zoekmachine Google herkent ondertussen 1 miljard Usenet-berichten via Google Groups. De aanwezigheid van Google Groups maakt een Usenet-leesprogramma tot op zekere hoogte overbodig. Google Groups herkent veel en populaire groepen, maar indexeert niet alles of is niet tot op de seconde actueel.
Toen in september 2001 terroristen aanslagen pleegden in Amerika, viel een aantal transatlantische internetverbindingen rondom het World Trade Center uit. Systeembeheerders en andere informatiebehoeftigen bleken in staat via Usenet, en het hier later besproken IRC, goed in verbinding te kunnen blijven met elkaar. Voor technisch georiënteerde journalisten vormde Usenet een publiek toegankelijke bron met, op dat moment, waardevolle informatie over schade, problemen en herstelwerkzaamheden bij getroffen bedrijven.
Journalisten kunnen Usenet gebruiken als informatiebron of als een medium om personen en groepen te vinden. Daarvoor dienen ze dus een apart programma te installeren, meestal gratis te downloaden, en de kanalen aan te geven die ze willen volgen. Onlangs bleek officier van justitie Joost Tonino ook de weg te kennen op Usenet.
Seksgroepen zijn echter slechts één verschijningsvorm van Usenet, ze bestaan er voor talloze onderwerpen en de journalist zal er nieuwtjes uit kunnen halen, vooral specialistische bijdragen en hints. Het vinden van de juiste groepen is handwerk, nieuwsgroepen afstruinen, te vergelijken met het vinden van stamtafels met wijze heren en dames in een stad met de omvang van Rotterdam.
Forums
Dat moeizaam zoeken geldt in iets mindere mate voor discussieforums, want ze zijn via het web te benaderen met reguliere internetbrowsers. Ze zijn veelal gecentreerd rondom één of enkele onderwerpen en worden weergegeven als chronologische sequenties van opmerkingen en reacties daarop. Forums lijken net als Usenet op drukbezochte cafés - weinig discussies zijn werkelijk relevant - maar samen bieden ze veel informatie over personen, onderwerpen en opvattingen. Bovendien geven ze een eenvoudige ingang naar specialisten. De fora kunnen louter consulterend worden gebruikt, maar ook om openlijk het gesprek aan te gaan met deelnemers.
De forums van Maroc.nl, bijvoorbeeld, geven een beeld van de zaken die Marokkanen dagelijks bezighouden. Dat varieert van geloofsonderwerpen en gesprekken over televisieprogramma's tot hoog oplopende principiële discussies na bijvoorbeeld de moord op Theo van Gogh. Overzichten met Nederlandse discussieforums staan op Startpagina en De Lijst.
Forums maken vaak - niet altijd - deel uit van gespecialiseerde websites. Soms zijn discussieforums op zichzelf staande websites. Tweakers.net is een Nederlandse veelgebruikte computersite met onder meer nieuws en recensies. Parallel aan de nieuwssite staat het forum, Gathering of Tweakers, een discussieomgeving met miljoenen berichten.
Gespecialiseerde zoekmachines
Google is in Nederland de meest gebruikte zoekmachine voor webpagina's. Minder bekend is het gegeven dat Google Groups een zoekmachine is voor Usenet-postings, zoals eerder aangehaald. Tevens bestaat er een dienst genaamd Google News. Er bestaan 22 talenversies van Google News. Iedere versie is een op zich staande zoekmachine voor actueel nieuws dat in de betreffende taalgebieden verschijnt. Enkele minuten nadat een krant, tijdschrift, webuitgave of nieuwszender een bericht online plaatst, wordt het doorzoekbaar gemaakt door Google. Ter illustratie: de Engelse Google News doorzoekt 4.500 bronnen, de Duitse en Spaanse elk 700 en de Franse 500.
Het vinden van de juiste informatie in discussieforums, en ook op Usenet, vergt betrekkelijk veel tijd. De op het terrein van zoeken sterk onderschatte webwinkel Amazon.com combineert met A9.com unieke zoekfuncties van verscheidene zoekmachines. Zo betrekt ze boekenkennis van Amazon.com, web- en fotokennis van Google en informatie uit de filmindustrie komt van de Internet Movie Database (IMDB). De gebruiker van A9.com kan, na te hebben ingelogd, kiezen uit 171 gespecialiseerde zoekmachines. Zodoende kan hij een eigen metazoekmachine samenstellen, bijvoorbeeld ook met medische informatie uit PubMed of geofysische informatie van de International Union of Crystallography.
Zoekmachines als Feedster, Blogdigger en Technorati zijn zoekmachines voor weblogs, ook Nederlandse. Bovendien kan men RSS-feeds laten maken van de zoekopdrachten. Technorati biedt bovendien de mogelijkheid om behalve weblogs ook de miljoenen foto's van Flickr.com te doorzoeken, alsmede de door particulieren gepubliceerde bookmarklijsten van Del.icio.us en Furl.net. Nederlandse weblogzoekmachines zijn Bloglog.nl en Feeder.nl. De Nederlandse weblogdienst Web-log.nl biedt op zijn homepage de mogelijkheid om de tienduizenden weblogs op zijn domein te doorzoeken.
Multimediaproductie
Vooruitstrevende internetuitgevers en/of journalisten proberen ervaring op te bouwen in gecombineerde publicatie van tekst, audio, foto's en bewegend beeld - iets wat CNN in de Verenigde Staten al vele jaren doet. Geschreven media experimenteren met beeld, omroepen bewerken de teksten van hun uitzendingen voor het net. De krachtigste combinaties ontstaan met redacties die sterk zijn in verschillende disciplines zoals de wetenschap- en de geschiedenis-redacties van de Vpro met hun dossiers en de NOS die superieur is in multimediaverslaggeving van grote gebeurtenissen. Gezien de benodigde inspanningen moet dit tot schaalvergroting leiden, dan wel samenwerkingen zoals Cinema.nl van Vpro en Volkskrant.
FD Mediagroep is een uitgever die op internet al verscheidene van de hier beschreven media naast elkaar inzet. Columns zijn als audiostream te beluisteren, die van Herbert Blankensteijn en Vincent Everts ook als podcast. Bovendien kunnen radioluisteraars via de discussiefora van Business Nieuws Radio discussiëren over het actuele financiële nieuws. Als aanvulling tijdens de radio-uitzendingen komen krantenjournalisten van Het Financieele Dagblad, een zusterbedrijf van de radiozender, regelmatig commentaar leveren op actueel nieuws.
In de entertainmenthoek is het Avro-radioprogramma Nachtdienst een typisch voorbeeld van een combi. Parallel aan de uitzending, in de nacht van zaterdag op zondag op radio 1, kunnen luisteraars inloggen op een internetchatkanaal. In de regel doen pakweg 100 radioluisteraars dat, om te reageren op radiospelletjes en de encyclopedische vragen van luisteraars. Vervolgens geven ze via de telefoon op de radio antwoord op de vragen. Treffend was ook de wijze waarop voormalig Nachtdienst-presentator Wim Rigter via zijn weblog zijn luisteraars op de hoogte hield van zijn terminale ziekte, later overgaand in een persoonlijk weblog toen het presenteren niet meer mogelijk was.
Conclusie
Internet biedt journalistiek en uitgevers een heel scala van communicatiemiddelen die nog onvoldoende geëxploreerd zijn. Gelijkgestemden en specialisten verzamelen zich op organische wijze op bepaalde webstekken om daar met kennis van zaken actuele zaken te bespreken. Het is voor de journalist zaak om bij gegeven gebeurtenissen de juiste plaatsen op internet te vinden voor nieuwe bronnen, betrokken personen of achtergrondinformatie. Gespecialiseerde zoekmachines staan hem daarbij ter beschikking.
Uitgevers en andere media-exploitanten moeten mogelijkheden vinden om de forums, gemodereerd en gestimuleerd, zoals in Stand.nl van de NCRV, een eigen plek te geven in hun mediamix.
2. Communiceren
Naast een medium om te speuren, consumeren en publiceren begint internet zich ook te ontwikkelen tot een algemeen communicatiemiddel, meer dan e-mail alleen. Zaken als post, telefonie en ook de klets- en roddelpraatjes die normaal in de gangen en restaurants van bedrijven plaatsvinden, worden toegankelijk via de muis en het toetsenbord.
E-mail
E-mail lezen en schrijven is, net als sms, niet langer verbonden aan de fysieke lokatie van de computer. Mobiele telefoons, laptops en broekzakapparaten als Blackberries zorgen ervoor dat men overal waar een digitaal netwerksignaal is boodschappen kan versturen en ontvangen.
E-mail is niet veilig. Inlichtingendiensten en kwaadwillende internetters kunnen e-mailverkeer zonder al te veel moeite onderscheppen en afluisteren. Ze kunnen het verkeer op onveilige of gekraakte tussenstations als routers en mailservers onderscheppen. Encryptie via PGP, of diens ongepatenteerde vervanging GPG, biedt uitkomst. PGP is een techniek om de elektronische boodschappen via versleuteling onleesbaar te maken voor externe partijen, zolang ze niet over de vereiste wachtwoorden en autorisatie beschikken. Hushmail.com is een eenvoudige webdienst voor versleutelde e-mailcommunicatie. Tevens kan men er vertrouwelijke documenten opslaan in een vrijwel niet te kraken digitale omgeving.
Met PGP/GPG is het mogelijk om het berichtenverkeer te versleutelen en tegen afluisteren te beveiligen. Versleuteling, encryptie, is gebaseerd op het uitwisselen van digitale sleutels tussen de zender en ontvanger. Enkel als zender en ontvanger over 'passende' sleutels beschikken kunnen ze elkaars boodschappen lezen. Anders niet. Het uitwisselen van sleutels gebeurt via centrale servers op internet en, veiliger, tijdens fysieke ontmoetingen. Enigmail is een toevoeging op Mozilla Thunderbird om e-mailberichten op vrij eenvoudige wijze te versleutelen. Voor Microsoft Outlook bestaat een vergelijkbaar programma. De installatie van PGP-programma's is een proces dat technisch nauw luistert.
Chatten
MSN Messenger, ICQ en Yahoo Instant Messenger behoren wereldwijd tot de meest gebruikte programma's om te chatten (kletsen). Zowel jongeren thuis als kantoorpersoneel gebruiken chatsoftware om direct met collega's, persoonlijk bekenden maar ook bronnen te communiceren. MSN Messenger is in Nederland, met 4,5 miljoen gebruikers, veruit het meest gebruikte chatsoftware, ICQ wordt vooral door professionals gebruikt.
Bronnen die niet persoonlijk of telefonisch willen communiceren, maken af en toe uitzonderingen voor de veiliger geachte omgeving van het chatprogramma. De identiteit van de contactpersoon is lastig tot niet te achterhalen tijdens dergelijke chatsessies. Bij MSN Messenger fungeert een e-mailadres als identificatiemanier. De gebruiker kán zich daarbij bedienen van een e-mailadres bij een gratis dienst als Hotmail of Gmail met een fictieve naam. Enkel als het e-mailadres is samengesteld uit voor- en achternaam van de persoon kan dat een indicatie geven van zijn echte naam, maar ook nepnamen zijn eenvoudig aan te maken, zoals NinaBrink@xs4all.nl. De communicatie via MSN Messenger verloopt via centrale chatservers van Microsoft, eigenaar van MSN. Het IP-adres van het chatcontactpersoon is dus ook geen afspiegeling van het IP-adres van zijn computer.
Net als e-mail zijn ook chatprogramma's onveilig. Alle chatberichten gaan als kale tekst, onversleuteld en zonder wachtwoordbeveiliging, over het openbare internet. Het is voor techneuten een niet al te lastige klus het verkeer te onderscheppen of de controle over een MSN-chat over te nemen. Om dit soort malafide praktijken te voorkomen, kan men encryptieprogramma's voor chats downloaden. Dit soort externe programma's versleutelt de inhoud van het berichtenverkeer. De versleuteling werkt alleen als de software door beide chatpartijen wordt gebruikt.
Chatprogramma's maken in de regel letterlijke transcripties van alle gesprekken die men ooit voerde. Dat is een voor journalisten handige functie, aangezien ze een letterlijke geschiedenis opbouwen van de gesprekken die ze met bronnen voerden. De transscripties worden op de computer opgeslagen in de map Mijn documenten -> Mijn ontvangen bestanden -> [chatnaam] -> Geschiedenis. Teksten en ontvangen documenten zijn daar vandaan te kopiëren, bijvoorbeeld om verwerkt te worden in artikelen.
IRC
IRC staat voor Internet Relay Chat en is een oude, nog altijd regelmatig gebruikte vorm van groepsgewijs chatten [handleiding]. Om toegang te krijgen tot IRC-chatnetwerken dient de gebruiker een apart programma te installeren, zoals mIRC of de Firefox-extensie Chatzilla. Vervolgens logt men aan op een van de vele IRC-servers die er zijn en kiest een kanaal. De bediening van IRC geschiedt via een niet al te toegankelijke gebuikersinterface en een aparte commandotaal (zie handleidinglink).
IRC-chats vinden plaats op speciaal daarvoor ingericht chatservers, IRC-servers. Op iedere server zijn vele tienduizenden kanalen, te vergelijken met onderwerpgerichte cafés. Het berichtenverkeer is in principe gericht aan alle aanwezigen in de chat, maar het is mogelijk besloten gesprekken te voeren. IRC is enkel handig als de gebruiker weet op welke server in welk kanaal hij moet zijn of hoe hij zijn weg kan vinden in de schijnbare chaos van servers en kanalen. Zoekmachine als SearchIRC of Netsplit brengen de gebruiker in contact met groepen, vaak technische, computergebruikers met een zekere mate van specialisatie op bepaalde terreinen. Journalisten kunnen zich tot deze groepen wenden voor tips, adviezen of algemene oriëntatie op bepaalde onderwerpen.
Telefoneren
Met de nieuwe versies van chatprogramma's MSN Messenger en ICQ is het ook mogelijk te telefoneren, als aanvulling op het tekstgebaseerde berichtenverkeer. Een programma dat gespecialiseerd is in spraak via internet (VoIP, Voice over IP) is Skype. Gebruikers die het gratis programma installeren kunnen onderling via de computer voor niets telefoneren, ongeacht de fysieke locatie van de gebruiker. Na installatie van het programma maakt men een gebruikersnaam aan die centraal geregistreerd wordt op een Skype-server. De gratis gesprekken kunnen pas beginnen als men gebruikersnamen van anderen toevoegt aan de contactlijst. Als een gebruiker online gaat, veranderen zijn contactgegevens van kleur. Anderen zien zodoende dat iemand te bellen is. Om Skype te gebruiken zijn wel boxen en een microfoon nodig. Velen hebben het programma en/of de benodigde koptelefoon en microfoon niet altijd aan staan.
Het spraakverkeer in Skype is, evenals de ingebouwde tekstchatfunctie, versleuteld en dus niet kraakbaar. Althans, dat stellen de Luxemburgse makers van het programma. Het programma kent meer dan 40 miljoen gebruikers, een aantal dat met de dag nog fors groeit. Een voor journalisten interessante functie is het ingebouwde telefoonboek. Veel Skype-gebruikers registreerden zich met hun echte naam. Het is betrekkelijk eenvoudig om via Skype iemand te vinden en hem te spreken te krijgen. Bovendien is het mogelijk automatisch alle namen van het Outlook-adresboek te vergelijken met de Skype-telefoongids en toe te voegen aan de Skype-contactlijst. Het is ook mogelijk met Skype te bellen naar vaste en mobiele telefoonnummers, maar dat kost geld. Gebruikers van het zogeheten SkypeOut storten via een kredietkaart een prepaidaccount minimaal 10 euro en kunnen vervolgens direct internationaal goedkoop gaan telefoneren. De kosten zijn te vergelijken met die van Tele2-achtige bedrijven.
De gebruiksmogelijkheden van VoIP zijn echter groter dan die Skype biedt. Veel bedrijfscentrales zijn, zonder dat de gebruiker dat merkt, gebaseerd op VoIP-technologie. Hierdoor kunnen binnenkomende gesprekken naar vaste telefoons doorgestuurd worden naar mobiele telefoons of voicemailbussen. Voicemails kunnen op hun beurt weer als geluidsbestand worden doorgestuurd naar een e-mailadres, waar de gebruiker vervolgens via bijvoorbeeld een chatprogramma of sms op geattendeerd kan worden. Vormen van vaste en mobiele digitale communicatie groeien naar elkaar toe en raken in toenemende mate vervlochten met elkaar.
Een digitaal werkende journalist is daardoor constant bereikbaar, via welk medium dan ook, en kan die bereikbaarheid ook direct vertalen naar de werkpraktijk. Want telefoongesprekken maar ook chatgesprekken kunnen als directe input worden gebruikt voor artikelen, niets staat de journalist in de weg om digitaal opgenomen gesprekken of voicemails toe te voegen aan artikelen die op internet verschijnen.
Verscheidene publicaties, in Nederland en daarbuiten, combineren tekst met audio maar ook video. Een typisch voorbeeld is te vinden bij de mp3-uitzendingen die Adam Curry dagelijks via internet verzorgt. Luisteraars van zijn internetradioprogramma nemen hun gesproken reacties op in mp3-formaat en mailen die naar de dj. Met een enkele klik op de muis zendt de programmamaker die gesproken reacties uit in zijn volgende uitzendingen. Het is daarbij echter wel zaak de inhoudelijk relevante reacties te scheiden van de niet-relevante. Een weblog als GeenStijl.nl bijvoorbeeld zendt via zijn site met enige regelmaat de voicemails uit die bezoekers achterlaten via het redactienummer.
Conclusie
Communicatiemedia via internet verlagen de toegang tot bronnen en contactpersonen, en vereenvoudigen het contact. Een aantal daarvan is enkel een digitale verschijningsvorm van bekende offline media. Een punt van zorg voor de gebruiker is dat digitale communicatiemedia standaard amper of niet beveiligd zijn. Extra maatregelen zijn nodig om het onderlinge berichtenverkeer te beschermen tegen afluisteren.
Het web en discussiefora, ontsloten via knipseldiensten (RSS) en zoekmachines, bieden in principe een onuitputtelijke bron van informatie voor de journalist. Niet alle informatie is even betrouwbaar, maar biedt op zijn minst een uitgangspunt voor verder onderzoek.
Digitale communicatiemedia veranderen het werk van de journalist in essentie niet. Bronnen moeten nog steeds benaderd worden om hen kritisch te bevragen. Het controleren van de bronnen en het plegen van wederhoor blijven een vereiste. Wel is het mogelijk om informatie en contactpersonen gericht op te speuren en te benaderen.
[Erwin Boogert, Peter Olsthoorn, 12 mei 2005]
|