Netkwesties XS4ALL
Menu HomeWebgidsZoekenReageerNieuwsbriefForumColumns


'INTERMEDIAIR' ALS MAGNEETWOORD MONSTERBOARD TOEGESTAAN

Anderhalf jaar geleden kreeg VNU, uitgever van weekblad Intermediair, nog gelijk, maar in het hoger beroep oordeelde de rechter dat vacaturesite Monsterboard bezoekers mag blijven lokken met het trefwoord 'intermediair'. Doorslaggevend was het argument dat deze term behalve een handelsmerk ook een gewoon Nederlands woord is. Desondanks blijft het merkenrecht op internet een grijs gebied.

Het begin van het conflict tussen VNU en Monsterboard dateert van 1999. De banensite kocht bij zoekmachine Vindex, eigendom van IDG Communications, enkele sleutelwoorden, waaronder 'intermediair'. Wie via Vindex op een van deze termen zocht, kreeg een advertentie van Monsterboard bovenaan de pagina met zoekresultaten.

VNU, eigenaar van Intermediair, dat ook in vacatures handelt, vond dat Monsterboard oneigenlijk meeliftte met zijn naamsbekendheid en spande een kort geding aan. VNU kreeg gelijk: de rechter oordeelde dat het koppelen van handelsmerken aan advertenties van concurrenten in strijd met de Benelux Merkenwet. Tevens bepaalde de rechter dat VNU binnen zes maanden een bodemprocedure moest starten, anders zou deze uitspraak weer komen te vervallen.

In tweede instantie trekt VNU alsnog aan het kortste eind. De rechtbank vond wel dat Monsterboard eigenlijk geen merknamen als magneetwoord mag gebruiken, maar liet het argument dat 'intermediair' ook een gangbaar Nederlands begrip is op de arbeidsmarkt uiteindelijk de doorslag geven.

Monsterboard heeft inmiddels aangekondigd weer verder te gaan met het adverteren via het trefwoord 'intermediair'. Vindex was niet direct betrokken in de rechtszaak. Aanvankelijk had VNU gedreigd ook de (met eigen dienst Ilse concurrerende) zoekmachine te betrekken in het kort geding, maar later trok de uitgever het dreigement weer in.

BRON VAN INKOMSTEN

Magneetwoorden, trefwoorden gekoppeld aan reclamebanners, zijn wereldwijd gangbaar. De meeste zoeksystemen gebruiken reclame-inkomsten om hun gratis gebruik te financieren. Naar schatting is 20 tot 30 procent van de inkomsten afkomstig uit magneetwoorden.

Dergelijke trefwoorden worden doorgaans vrij onschuldig toegepast. Wie bijvoorbeeld op 'computers' zoekt, zal vaak boven de zoekresultaten een advertentie van een computerfabrikant zien verschijnen. Het gebruik van concurrerende merken als magneetwoord komt daarentegen zelden voor. Een ander geval in Nederland is printerfabrikant Oki, die ooit het trefwoord 'HP' had gekocht. Maar zodra Hewlett-Packard bezwaar zou maken, zou het contract worden ontbonden, zo hadden Oki en zoeksysteem Lycos in hun overeenkomst vastgelegd. Aldus geschiedde.

In de Verenigde Staten hebben zich twee vergelijkbare rechtszaken afgespeeld. Zoeksysteem Excite had in 1999 het magneetwoord 'playboy' verkocht aan pornosite Playmate. Volgens Playboy werd hiermee zijn goede naam te grabbel gegooid en schond Excite bovendien het merkenrecht. Anders dan in Nederland werd het zoeksysteem voor de rechter gedaagd, niet de concurrent. De uitslag was niettemin volkomen gelijk: concurrerende merknamen als magneetwoorden vormen weliswaar een inbreuk op het merkenrecht, maar 'playboy' is ook een gangbaar Engels woord. Tussen een kleine en een hoofdletter werd geen onderscheid gemaakt.

Een andere rechtszaak betrof cosmeticabedrijf Estée Lauder, dat in hetzelfde jaar eveneens Excite had aangeklaagd. Wie de naam van dit bedrijf intikte als zoekopdracht, kreeg een banner te zien van Fragrance Counter, een online cosmeticawinkel die niet alleen producten van Estée Lauder verkoopt, maar ook van andere producenten. De zaak is vorig jaar in der minne geschikt.

In andere Amerikaanse zaken ging het om bedrijven die merknamen van concurrenten als zogenoemde 'metatags' in hun eigen website hadden aangebracht. Radiation Monitoring Devices probeerde zo klanten van concurrent Niton naar de eigen site te lokken. De rechter vond dat er sprake was van misleiding. In een zaak tussen Brookfield Communications en West Coast Entertainment was het vonnis identiek.

Het aanbrengen van misleidende metatags kan juridisch nog gecompliceerder worden. Bedrijven besteden de bouw van hun website meestal uit aan gespecialiseerde bureaus. Vaak voegen deze ook de metatags toe aan de site, zonder dat daarover is overlegd met het bedrijf. Maar wie is in dat geval aansprakelijk? Veel hangt af van de kleine lettertjes in het contract tussen opdrachtgever en bureau.

Merkenrecht

Op het eerste gezicht lijkt de conclusie eenvoudig: kies geen merknamen die overeenkomen met gangbare woorden, anders kan de concurrentie jouw naam ongestraft als magneetwoord gebruiken. In de jurisprudentie van domeinnaamkwesties komt een vergelijkbaar beeld naar voren. Zo verloor popmuzikant Sting de strijd om het domein sting.com, omdat 'sting' een normaal Engels woord is.

Juridisch gezien ligt de zaak toch iets gecompliceerder. In de Monsterboard-kwestie speelt het begrip 'economisch verkeer' nadrukkelijk mee. Volgens artikel 13 van de Benelux Merkenwet is van een merkinbreuk pas werkelijk sprake, indien je kunt spreken van economisch verkeer, dat wil zeggen uit een commercieel oogpunt. Twee jaar geleden achtte de rechter bewezen dat Monsterboard de term 'intermediair' gebruikte in het economisch verkeer, aangezien er een redelijke kans bestaat dat diegenen die dat zoekwoord gebruiken op zoek zijn naar vacaturesites.

Niet alle juristen zijn het met deze redenering eens. Jurist Theodoor Richard, gespecialiseerd in intellectueel eigendom, betwijfelde in een interview met WebWereld of het gebruik in economisch verkeer te bewijzen is: "Monsterboard.nl gebruikt de naam niet op haar website en noemt de naam niet in haar advertenties. Ze voeren de naam Intermediair nergens." Volgens hem zou pas sprake zijn van merkinbreuk als bijvoorbeeld Monsterboard.nl de naam Intermediair als kop zou voeren. En in dat geval achtte hij zoeksysteem Vindex eerder aansprakelijk dan Monsterboard: 'De zoekmachine werkt op de ingegeven (merk)namen en plaatst daar een bepaalde advertentie bij.'

Internetjurist Babiche Westerbrink meent: "Op dit gebied hebben we nog gebrekkig recht. In het civiele recht kan de rechter altijd de redelijkheid en billijkheid uit de kast halen, bij merkenrecht kan dat niet. Een rechter moet dan gewoon knopen doorhakken en op zijn rechtsgevoel afgaan. Dat is eerder ook al gebeurd bij zaken over domeinnamen."

Ook Amerikaanse rechters zitten in hun maag met het merkenrecht. Daar is het begrip 'dilution' ontstaan: als zoekdiensten gebruikers niet meer uitsluitend naar de website van de eigenaar van een merk leiden, dan neemt de waarde van dat merk af. Dat gaat ten koste van het marktaandeel van de merkhouder. Het kernpunt van deze redenering is dus waardevermindering, niet misleiding van gebruikers.

Om deze reden was de Amerikaanse internetjurist Jeffrey R. Kuester het niet eens met het vonnis in de Playboy-kwestie. Tegenover de New York Times drukt hij het kernachtig uit: "Excite verdient geld dankzij Playboy's handelsmerk door gebruikers naar zijn concurrenten door te sturen. Klinkt dat niet alsof er iets mis is?"

Maar voorstanders van merknamen als magneetwoorden zien dat juist als een extra service: "U toont interesse in Playboy; kunnen wij u dan ook van dienst zijn met een vergelijkbaar product?". De kruidenier om de hoek doet niets anders dan dit soort adviezen geven.

[Wessel Zweers, 15 maart 2001]



Headlines

- Forum: Amerikaanse bibliotheken tegen webfilters

- Big Brother-prijzen voor FBI en NSA

- Panoussis verliest hoger beroep van Scientology

- 'Intermediair' als magneetwoord Monsterboard toegestaan

- Lezerskwesties

- Kort nieuws

- Binnen zonder kloppen