Meningen Netkwesties experts24 januari 2012 | De Stichting Internet Domein Registratie legt een aantal eisen neer bij de politiek. De meest opvallende is dat internettoegang een grondrecht moet worden. Slecht over nagedacht, blijkt uit de meningen van de Netkwesties experts.
De SIDN bood aan haar aanbevelingen aan naar aanleiding van een eerder congres en enquete, onder de kop ' SIDN pleit voor politieke discussie over internet als grondrecht'.
De SIDN-eisen van het 'advies' samengevat:
De belangrijkste conclusies en aanbevelingen die wij de politiek voorleggen zijn:
1. Onze rechten in de online wereld moeten even goed gewaarborgd worden als onze rechten in de offline wereld
"...Zo zien Nederlandse internetgebruikers cybercrime als even bedreigend als gewone criminaliteit. Zij vinden ook dat aan de bestrijding van cybercrime evenveel middelen zouden moeten worden toegekend..."
2. Er is een fundamentele discussie nodig over internet als grondrecht
"Een kleine meerderheid van de respondenten op de Nationale Internetenquête ziet toegang tot internet als een grondrecht. Daarbij zijn voor- en tegenstanders duidelijk verdeeld naar welstand. Hoe dit grondrecht vormgegeven moet worden is echter onduidelijk en was aanleiding tot veel discussie. Toegang tot internet als grondrecht is een discussie die onze wetgeving op het meest fundamentele niveau raakt (grondwet, Verklaring van de Rechten van de Mens) en waarin politici nog meer het voortouw zouden moeten nemen."
3. Het Nederlandse onderwijs dient vakmensen op te leveren op internetgebied
4. De overheid moet innovatie stimuleren
Het werd aangeboden aan Afke Schaart, Tweede Kamerlid voor de VVD en voorheen directeur Public Affairs van KPN, bestuurslid van internetclub ECP-EPN en van de glasvezellobby FttH Platform Nederland (foto)
We legden het SIDN pleidooi voor aan een aantal van onze experts, met de nadruk op internet als grondrecht. Zij vinden dit geen goed pleidooi. Overigens weten de meeste mensen niet wat grondrechten inhouden. Het gaat om Hoofdstuk 1 van de Grondwet. Ze vallen uiteend in verschillende categorieën.
Bovenal zijn ze ook tijdsgebonden. Zo is er het 'telefoon- en telegraafgeheim'(Artikel 13) terwijl de telegraaf niet meer in gebruik is, behalve de krant dan maar het recht daarop is (nog) niet vastgelegd. Zo is er een 'briefgeheim' (Artikel 13) maar nog geen e-mail geheim.
In artikel 7 staan (druk)pers, tv en radio genoemd maar internet niet:
• Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
• De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
Dit kun je wellicht beter technologie- en mediumneutraal maken. Wat betreft internet als grondrecht, kan het aansluiten op artikel 22 over overheidsplichten: "Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding. Ook zou je het kunnen koppelen aan Artikel 23 van onderwijs.
Dus er zijn wel aanknopingspunten om internet op verschillende manieren op te nemen in de grondwet. Overigens is loskoppeling van technologie niet eenvoudig, zeker niet als je onderscheid moet maken tussen bijvoorbeeld het recht op mobiele en vaste toegang.
Als SIDN iets roept over 'internettoegang als grondrecht' is het wellicht handig om te specificeren wat nu precies wordt gevraagd. De experts van Netkwesties vinden de eis in elk geval ongegrond.
Over punt 2: internet als grondrecht:
Toegang tot internet als een zelfstandig grondrecht is onzin. Dit zou betekenen dat voor iedere vorm van communicatie een zelfstandig grondrecht zou moeten worden geformuleerd (telegraaf, telex, post, telefoon, sms, etc.).
Het is beter om het debat te intensiveren over wat voor betekenis bestaande fundamentele rechten hebben in een internetomgeving, zoals bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting, het communicatiegeheim, privacy, due process. Een recht op toegang tot het internet kan/zal daar de uitkomst van zijn, zoals dat ook het geval is geweest met andere communicatievormen.
Het al lang bestaande universele dienstconcept biedt voldoende aanknopingspunten voor het in concreto versterken van toegang tot het internet: een dienst die voor een ieder, tegen een gegarandeerde kwaliteit en een betaalbare prijs beschikbaar is.
De SIDN lijkt mij een van de podia om zich over dit soort concrete universele dienst-vragen te buigen: hoe realiseren we zo snel mogelijk breedband internettoegang op die schaarse plekken in Nederland waar dat nog ontbreekt; geen woorden maar daden.
Is het wenselijk dat internettoegang eventueel wordt gesubsidieerd voor hen die zich dat niet kunnen veroorloven? (vergelijk bv 'pc-voorziening'-regeling gemeente Amsterdam);
Hoe garanderen we continuïteit en kwaliteit? Is bijvoorbeeld het domeinnamensysteem van de SIDN als een van meest kritische elementen van het internet - 'DigiNotar-proof'?.
Het is een bizar Idee om internet als grondrecht te zien.
Het is mijn diepste overtuiging dat indien een kind liefde van zijn moeder krijgt, een dak boven het hoofd, te eten en basisonderwijs het prima
zonder internet door deze wereld kan gaan.
Ook dan heb je een prima kans op een volwaardig leven met bevredigende sociale contacten en een mooie baan.
De internetlobby moet niet overdrijven, zeg!
Over punt 2: internet als grondrecht:
"De toegang tot informatie is een grondrecht. De bibliotheek biedt die mogelijkheid, maar ook het internet. Het genieten van een grondrecht betekent nog niet dat dat gratis moet. Of dat het de overheid is die het moet bewerkstelligen. De overheid moet keuzes maken, want de middelen zijn helaas beperkt.
Als internetter zou ik nooit ergens gaan wonen waar de bandbreedte van de internetverbinding niet in lijn is met mijn eigen snelheid van werken. Wat ik hiermee wil zeggen is dat de overheid niet overal verantwoordelijk voor is.
Eveline Kubbenga."
Over punt 2: internet als grondrecht:
De vraag of internet een grondrecht moet zijn is fascinerend maar niet nieuw.
In de periode 1995-1999 werd er geroepen dat iedere Nederlander toegang moest krijgen tot het internet via een lokaal inbelnummer, anders was het veel te duur. Dat er met ruim 100 verschillende aanbieders plekken waren waar dit niet mogelijk was, dat was meer dan een schande. Het was slecht voor de lokale gemeenschappen, het imago van een streek en zelfs het hele land.
Die exercitie werd vanaf 2000 dunnetjes overgedaan met de invoering van breedband internet. Dat de grote stad eerder breedband had was een schande. Breedband daar heeft iedere ondernemer en burger recht op en dat werd door consumentengroepen, beleidsmakers maar ook (lokale) politici bijna geëist. Die discussie woedt nog steeds, al gaat net nu meer om de minimale snelheid die geleverd kan worden en ook daar zijn de have nots [ of: gedupeerden] veelal van mening dat ze een fundamenteel recht hebben op meer en beter.
Dat er ook andere invalshoeken mogelijk zijn als we spreken over “het recht op internet” wordt in dit land nog wel eens vergeten. Wellicht komt dat omdat er hier – gelukkig – nog zo weinig cases zijn waarin het recht te kunnen internetten in twijfel wordt getrokken, betwist of zelfs verboden.
Voorbeelden van deze invulling van het begrip “recht op internet” zijn te vinden in Engeland en Duitsland, waar rechters schijnbaar met enige regelmaat wordt gevraagd te oordelen over een internetverbod. Deze eis is niet gangbaar. Slechts in uitzonderlijke gevallen, die zo te zien allemaal betrekking hebben op zedenmisdrijven, komt dit voor. In de thans bekende gevallen wordt het de veroordeelde na het uitzitten van de straf verboden een periode van X-jaar iets met het internet te doen. Concreet betekent dat, dat er thuis geen internet verbinding mag zijn, dat de ex-veroordeelde geen smartphone mag bezitten en een bezoek aan een internetcafe is evenmin toegestaan. Dit wordt gecontroleerd door de maatschappelijk werker die huisbezoeken aflegt en elke agent die de ex-veroordeelde tegen het lijf loopt.
Om de veel gemaakte vergelijking tussen het internet als digitale snelweg en asfaltwegen maar weer eens uit de kast te trekken. Een internetverbod gaat daarmee verder dan het verbod zich op de openbare weg te bevinden. Het is namelijk ook nog eens een verbod enig vehikel te bezitten waarmee ook maar iets als een fietspad of autoweg kan worden benaderd en gebruikt. Daarmee wordt maatschappelijk functioneren compleet onmogelijk gemaakt.
Met dat beeld in het achterhoofd – en nee het is geen fictief doemscenario, het bestaat in de landen om ons heen – is wat mij betreft de huidige lokale discussie over internet als grondrecht nuttig, maar toch vooral veel te beperkt. Echt waar internet is meer dan snelheid alleen.
Over punt 2, internettoegang als grondrecht
Dit klinkt indrukwekkend voor politici en publiciteit, maar is maar een deel van wat strak zou moeten beschreven en gewaarborgd als InternetFreedom (IF). In de oppervlakkige vorm waarin het nu aangeduid wordt is het voor de een slechts een open deur en voor de ander een life changer van emancipatie.
Zoiets als 'Iedereen moet met de fiets de straat op mogen' als grondrecht. Probleem is dat zeer weinig mensen weten wat 'internet' exact behelst. Zo wordt het vaak verward met WWW. En 'toegang' is ook iets wat meer een gevoelsmatige ervaringsaanduiding is dan iets wat je eenduidig kan waarborgen.
Dat voorgestelde Grondrecht zou gedefinieerd moeten worden als: IF of InternetFreedom, dat uiteenvalt in verschillende rechten:
A Freedom of Networkacces: verbinding kunnen maken, waardevol volgens Renan's Law
B Freedom of online Expression: meningsuiting, publiceren, Sarnoff's Law
C Freedom of digital Communication with other people: dialoog , Metcalfe's Law
D Freedom of online Assembly: groepsvorming, Reed's Law
E Freedom of constructive networked Cooperation across time and space: synthese via netwerk, waardoor synergie, van Till's Law
We kunnen het beter meteen goed doen dan halfwassen en ambigue.
Over punt 1, cybercrime
Wel een nobel streven als slogan maar tactisch niet handig. Het argument kan immers zijn dat we dan de Nederlandse wetten gewoon als geldig op internet kunnen verklaren, en klaar zijn we.
Op z'n minst is dat ongeldig omdat Internet wereldwijd werkt en (men) zich weinig van nation state boundaries meer hoeft aan te trekken.
Bovendien is wat mensen en computers doen op internet niet identiek (en ook steeds minder) dan wat mensen in de fysieke wereld willen en kunnen. De wisselwerking tussen virtueel en fysiek moeten we wel goed kwalitatief bewaken maar dat zal een leerPROCES moeten zijn.
Over punt 3, onderwijs
Volmondig mee eens. Maar ook dit valt in minstens twee stukken uiteen die je niet door elkaar moet halen:
1. aankweken en stimuleren van ICT-vaklui, (natuurlijk inclusief hun internetvaardigheden). Dat is Nederlands hoop in bange dagen. Ze moeten goed met mensen uit andere disciplines kunnen samenwerken, zodat ze elkaars kennis en cultuur kunnen snappen en waarderen.
2.het huidige niveau van de Internet A-E basisvaardigheden van alle leerlingen, docenten en studenten is beneden een minimumpeil. Volgens metingen - die ik gehoord heb bij de WTR van SURF - kunnen zelfs de meest coole whizzkids bijvoorbeeld geen behoorlijke Google zoekopdrachten doen die af en toe iets bruikbaars opleveren.
Het is geen rocket science om in het slim omgaan met de online tools wat onderwijs te geven, maar het gebeurt blijkbaar niet. Daar kunnen we wat aan doen.
Over punt 1, cybercrime:
Het recente streven van de KLPD om de High Tech Crime Unit uit te breiden met 30 man is een mager begin, als je dat aantal afzet tegen al die dienders die achter hun bureau zitten en een uur nodig hebben om een aangifte op te nemen.
We staan aan het begin van een tijdperk waarin iedereen te maken zal krijgen met diefstal van gegevens waarmee cybercriminelen je bankrekening leegplunderen. Een voorproefje daarvan was de vorig jaar betrapte groep boeven die telefonisch DigiD-gegevens opvroeg om daarmee allerlei toeslagen van de Belastingdienst naar zich toe te harken.
Overigens heb ik goede ervaringen met digitale rechercheurs. Een paar jaar geleden vond de unit in Amsterdam allerlei gestolen game-software op de harde schijf van een zestienjarige hacker.
De recherche nam keurig contact op met de rechthebbenden in de VS en in Zuid-Korea. Het verhalen van de schade op de verdachte in de daaropvolgende strafzaak was minder eenvoudig, maar dat is in de offline wereld (helaas) niet anders.
Wat mij betreft is dit een hele serieuze discussie. Wat SIDN aankaart is sowieso te belangrijk en hoort bij voortdurende discussies over het internet die moeten blijven voeren. Zoals rond Wikileaks, de afsluiting van The Piratebay als netneutraliteit....
De vrijheid van internet zoals die ooit bedoeld was, staat voortdurend onder druk.
Mede vanuit die overtuiging werk ik vanuit de toekomstverkenning Wisdom of The Crowd aan een manifest dat ook gaat over het toekomstig internet. We willen dit manifest aanbieden aan de politiek in april en voor die tijd meer partijen betrekken, bijvoorbeeld via crowdsourcing.
Wat betreft het SIDN-advies
Er zijn allerlei details te vinden in de formulering die scherper zou
kunnen en er is een hele technische kant over wat wel en niet haalbaar is en welke wetten dat afdekken. Ik kijk even naar de hoofdlijnen.
Hun punten 3 en 4 zijn leuk en goed om de overheid hier te prikkelen, maar de echte essentiële punten zijn 1 en 2.
Ik zie niet zo snel in wat de meerwaarde ervan is om Internet tot een fundamenteel grondrecht te maken. Internet blijft daarvoor een medium net zoals de lucht dat is.
De toegang ertoe is wel essentieel en moet goed geregeld zijn. Je zou dat kunnen regelen via bijvoorbeeld de Telecomwet waarin nu telefonie als universele dienst is geregeld.
Men worstelt hier al jaren met de nieuwe realiteit dat telefonie inmiddels geen aparte dienst meer is over een afzonderlijk netwerk, maar in toenemende mate een dienst is over internet. En dat internet een plek in het hart van ons dagelijks leven en maatschappij heeft verworven.
Ik kan me voorstellen dat de roep van SIDN voortkomt uit een behoefte om de toegang beter te regelen dan een per land verschillende Telecomwet die toch minder statuur heeft dan de grondrechten van de mens.
Het zou jammer zijn als een discussie over punt 2 afleidt van het
grote belang van punt 1. Toegang tot internet is 1 maar tot wat voor internet?
Het respecteren en handhaven van onze grondrechten uit de
fysieke wereld in het internet is een van de meest wezenlijke punten waarvoor aandacht zou moeten zijn rond internet. Naarmate internet belangrijker wordt, wordt de kans dat onze grondrechten (dat zou een minimale set van hele harde punten moeten zijn) geschonden worden of aangetast worden groter.
Daar zou alle aandacht op gericht moeten zijn. En daar willen we ook met het manifest over wisdom of crowds (en internet der dingen) op ingaan. Deze discussie is nog niet voorbij gelukkig.