Waar ik me voor schaam; Over zwijgen en het doorgeven van schuld verscheen in april 2025 bij De Bezige Bij, en won recent de E. du Perronprijs van de Gemeente en Universiteit Tilburg. Sitalsing (1968) doet verslag van haar onderzoek naar het geheime NSB-verleden van haar grootouders aan moederskant.
Sheila Sitalsing maakte er een ‘Handboek voor nazaten’ van. De belangrijkste aanbeveling luidt dat er als nakomeling geen reden is om je te schamen. Toch liet ze de namen weg. In geen van de talloze interviews en recensies werd die weglating aangekaart, laat staan onderzocht.
Het anonimiseren door Sitalsing is begrijpelijk, maar de kritiekloze rode loper voor boekpromotie door haar collega’s irriteerde me flink. Reden voor een intensieve zoektocht. Sheila was zo moedig en vriendelijk om daarna een interview te geven en gaf op alle vragen eerlijk antwoord, hoe moeilijk ze dat ook vindt.
“Opa Sjarrel” en “oma Tootje” noemt Sheila Sitalsing haar grootouders lieflijk in ‘schaamboek’. Na wekenlang onderzoek in verschillende archieven ontdek ik de hele namen:
Waarom heeft u opa Sjarrel en oma Tootje geanonimiseerd?
“De ene reden was dat de achternaam veel voorkomt, allemaal mensen die ik niet ken. Wie weet vinden ze dat naar. De tweede reden is dat er nog één tante leefde. Die heb ik eruit willen houden, want die zou het noemen van die namen heel naar hebben gevonden.”
Dat anonimiseren lijkt op uit de wind houden van uw eigen familie. Brugman komt in de CABR-index een aantal malen terug. Waarom geen openheid?
“Vooral omdat er dus nog één tante leeft en ik dacht: "Ja, dat ga ik haar gewoon niet aandoen."
Zou dat haar beschadigen?
“Ze zal er niet dood aan gaan, maar ik merkte bij heel veel andere nazaten die ik bezocht, dat er nog zo ongelooflijk veel plaatsvervangende schaamte is, en gedoe. Er zijn zoveel mensen die nog bang zijn dat de familienaam uitkomt.
Het is toch al een verschil of je het moet napluizen in de papieren archieven of dat het uitserveert in een in een tekst die iedereen zo of vanaf de bank kan lezen. Ik denk dat dat uitmaakt. Ik merkte het zelf. Ik sta er ambivalent in.”
Inderdaad, vandaar dat ik het idee kreeg dat u ook uzelf wilde beschermen met het niet noemen van de namen. Uit uw eerste reactie bleek dat u onaangenaam verrast was dat ik uw familienamen ontdekte?
“U mailde “Ik ga nu naar de dossiers van oma Tootje” en ik betrapte mezelf op de eerste reactie van "Oh nee, oh nee, laat haar met rust." En dat is heel stom, omdat ik benadruk dat iedereen die dossiers moeten kunnen inzien. En anderzijds toch een, noem het ‘nazatenweerzin’ voel en dacht: "Oh, laat die arme vrouw met rust.” Gek is dat hoe dat werkt in je hoofd.”
Ja, vindt u dat gek?
“Ja, omdat ik dit hele boek heb geschreven om te pleiten dat we er niet zo beperkt mee moeten omgaan. Nou ja, fijn. Dus het houdt nooit op, het denken, wil ik maar zeggen…Ik beschrijf die angst voor de familienaam, in een heel hoofdstuk over gevolgen voor de familie. En ook met als conclusie: "Het maakt wel uit want het is je stam ofzo." Dus ik snap dat je ook nog iets voor jezelf wilt houden. En ik denk dat dat bij mij uiteindelijk ertoe heeft geleid dat ik dacht: ik laat die achternaam weg en houd het bij de voornaam.”
Zelfs de voornaam Thelma van haar moeder ontbreekt…
“Ik heb mijn moeder nergens in het boek genoemd omdat ik dat te intiem vond, zelfs haar voornaam niet. Omdat ik dat voor mezelf wil houden, nog voor een stukje. En dat is niet uit te leggen. Dat is een heel emotionele beslissing denk ik.”
Die “heel emotionele beslissing” duidt op persoonlijk, begrijpelijk belang van het verzwijgen van familienamen. Niet de tante, noch andere mensen die Brugman heten maar persoonlijke bescherming was de reden voor anonimisering.
Echter, de hele serie interviews door bevriende media als Buitenhof, Kunststof, Volkskrant, NRC, en De Groene en een recensie in Trouw gingen daar niet op in. Al die interviews en recensies las en beluisterde ik, met stijgende verbazing over het gebrek aan kritiek van ‘kwaliteitsmedia’. Het las als een p.r. rode loper. Radioprogramma Kunststof spande de kroon. Sitalsing die ik – zo kritisch mogelijk – interviewde, is er eerlijk over:
“Dat vond ik zo’n naar interview, ik vond het afschuwelijk met Frénk van der Linden. Het leek wel een familie-uitje, echt afschuwelijk. Hij begon met “wat zou je zeggen als je moeder hier zou zitten?” Hij ging allerlei figuren oproepen.
Ik was echt verbijsterd. Ik dacht echt wat gaat hij nu doen? Ik vond dit het raarste interview ooit. Ik kon het niet meer opbrengen om dat terug te luisteren. Ik dacht echt: Jezus Christus, wat is dit, jongens?”
Sitalsing uit nu oprechte gevoelens over persoonlijke worstelingen. Die vind ik ontbreken in het boek. Ze voert haar eigen dochters - Zora en Zadie (18 en 15 jaar bij het schrijven) op om een oordeel te vellen over keuzes van hun overgrootouders.
Zet u daarmee uzelf gevoelsmatig op afstand?
“Oh jee, dat is een gewetensvraag. Ik heb heel erg geworsteld met de toon van het boek, op twee sporen. Ten eerste de twijfel: kom ik er wel helemaal goed uit? Want die dossiers zijn ingewikkeld en heel veel achtergrond weet ik niet.
Het tweede dat ik niet wilde dat iemand denkt dat ik mijn oma of mijn opa verexcuseer. Ik was erg beducht voor dat stukje. Er zijn heel veel boeken geschreven door nazaten van NSB’ers en SS’ers. Daarin ben ik altijd op zoek naar de excuses voor laakbare keuzes en gedrag, een soort goedpraten. Daar wilde ik van wegblijven. Dus niet eens zozeer weg van mijn emoties.”
Dat persoonlijke boeit me niettemin wel. Bijvoorbeeld Sunny Bergman is in “Mijn Nazi-opa” heel direct over familienamen en -eigenschappen en het mogelijk overerven, ofschoon ze snel doordraaft naar ‘intergenerationeel trauma’. Ik stel Sheila lastige vragen die ze terecht bekritiseert. Want journalisten horen tegenspraak te krijgen.
U schrijft dat kinderen identiteit aan hun ouders en grootouders ontlenen. U zegt zelf het emotioneel moeilijk te hebben met – letterlijk – de identificatie. Wat heeft u geërfd van de NSB’ers opa Charles Brugman en oma Cato Wiegand?
“Ik weet niet of ik echt iets heb geërfd. Ik merk vooral dat ik steeds meer op mijn moeder ga lijken. En zij zal dingen van hen hebben geërfd. Maar ik weet niet wat ik van mijn grootouders heb geërfd. Ik hoop niet zoveel, maar ik ben bang, toch wel ja.”
Uw opa had Joden als zondebok. Bij u deugen PVV'ers absoluut niet, VVD’ers eigenlijk evenmin. Legt u makkelijk de schuld bij hele groepen anderen, net als opa Sjarrel?
“Dat is echt een gewetensvraag. Ja, ongetwijfeld trek ik soms snel conclusies. Ik probeer ze wel te onderbouwen, maar of ik dat ergens had van mijn opa… Het gaat nu wel heel ver.”
“Opa Sjarrel” was weliswaar NSB'er, maar heeft er vooral goed van gegeten. Voor zijn berechting door het oorlogstribunaal zijn er louter magere getuigenverklaringen van één buurvrouw, een winkelier en zijn NSB-baas Van Iersel. In hoeverre was hij een slechterik?
“Ik weet niet of je in termen van slechterik moet denken, meer in termen van slappeling. Dat weet ook uit latere verhalen van tantes en mijn moeder. Dat was niet beperkt tot de oorlog. Dat hij heel verwend was, gewend aan het goede leven en om met geld te smijten als vrijbuiter. Niet een playboy, dat hij allemaal meisjes had ofzo, maar avonturier en vrijbuiter. Een tante heeft ooit gezegd: “Hij had geen verantwoordelijkheidsgevoel.”
Dus hij was heel erg voor zichzelf bezig om het leuk te hebben. En ik denk maar dat ze allemaal gepsychologiseer achteraf waarop je niet kunt varen, maar ik denk dat hij op die manier voor die NSB gekozen heeft. Dat hij een soort van leuk en makkelijk vond.”
En “nu eenmaal een hekel aan joden, ik weet niet waarom”, schreef Sheila’s moeder Thelma in haar memoir. Ofschoon haar vader Charles het tegendeel beweert in verhoren, moeder Cato ook terwijl ze voor het Duitse kantoor werkt dat Joods bezit verpatst. Ik kwam in zijn archief maar één passage van hem tegen met antisemitisme, dat er een “jodenkliek” de macht zou overnemen als de geallieerden de oorlog zouden winnen…
“Die jodenhaat is niet alleen bevestigd door mijn moeder, ook door een tante. Altijd een soort weerzin gehad. Dus de uitingen van Jodenhaat van de NSB heeft hen niet weerhouden van die keuzes, laat ik het zo stellen.”
Welk beeld heeft u van uw opa uit eigen herinneringen?
“Vind ik lastig want hij is overleden toen ik een jaar of zeven was en woonde in een ander land. Wij woonden in Suriname en later op Curaçao. We zijn wel eens bij hem met vakantie geweest, en hij was een enorme brieven- en kaartenschrijver en stuurde bandopnames. Dat wist mijn zus nog beter dan ik. En dat was vooral heel leuk. Ik herinner ik me mijn opa als ontzettend grappig.
Hij vertelde altijd over avonturen. Hij liet zijn ontbrekende ringvinger zien en wij vonden dat heel eng en gingen gillen, en dan kwam het verhaal hoe hij die vinger kwijtgeraakt was. Ik dacht altijd "Een leuke opa." Ik weet uit privé correspondentie tussen hem met mijn moeder van na de oorlog dat ze heel lief voor elkaar bleven na die scheiding. Hij hield heel erg van mijn moeder.
Maar veel van wat ik nu van hem weet, heb ik achteraf moeten reconstrueren, zoals uit die oorlogsdossier. En dat is niet zoveel.”
U vertelde me dat u steeds meer op moeder Thelma begint te lijken. In welke zin? En via haar op uw grootouders?
“Karakterologisch, denk ik. Mijn moeder was wel aanzienlijk liever dan ik. Ik ben niet zo lief, maar ze was ook wel mild en zacht en ik denk dat ik misschien ook iets meer behoefte begin te krijgen aan terugtrekken zoals zij deed. Ik weet echt niet welke van haar eigenschappen van welke ouder kwam.”
Dat is de kern van heel veel nazaatverhalen en -boeken over foute (groot) ouders: persoonlijke sympathie voor, in dit geval opa en oma, versus afkeer van verkeerde keuzes in de oorlog eerder. Van vijf jaar oorlog als NSB’ers van Charles en Cato is heel weinig te lezen in de archieven.
In haar Abel Herzberg-lezing in de Rode Hoed van zondag 21 september (op YouTube en in Trouw) verhaalt Sheila Sitalsing van het sluipenderwijs aantasten van de waarden van de democratische rechtsstaat. Dat is het gevolg van keuzes, individueel en collectief.
“Glijd je mee, hang je tegen, blijf je doen wat je altijd al deed als remedie tegen de abnormaliteit? En laat je dat afhangen van wat de anderen doen, want de kudde biedt niet alleen wijsheid maar ook veiligheid.”
Zo tekende aan het begin van de Tweede Wereldoorlog nagenoeg alle ambtenaren de Ariërverklaring, ook onder het mom dat het weigeren om te tekenen Joden niet zou helpen. Ze werkten vervolgens mee aan de uitvoering van Nazi-orders. Ze noemt in die lezing haar opa terloops, haar NSB-oma niet:
“Iemand zoals mijn grootvader bijvoorbeeld, die in de oorlog als overtuigde NSB’er geheel vrijwillig over het hellende vlak heeft gezeild; ik moet dat er, in dit verband, uiteraard bij vermelden. Want ik wil niet de indruk wekken dat ik de ondertekenaars van de Ariërverklaring hier de maat loop te nemen, terwijl er veel meer te verhapstukken valt.”
Bij het beschrijven van de volgens haar buitengewoon verwerpelijke politiek van de regering-Schoof en vooral het meegaan daarin van spelers in het veld zoals journalisten en ambtenaren, vermeldt ze:
“De Prinsenvlag – oranje, blanje, bleu – hing een jaar of negentig geleden op hoogtijddagen overigens ook te wapperen aan de gevel van mijn NSB-opa. Ik zeg het er toch nog maar even bij.”
*) Foto: Keke Keukelaar